PO21- Mijn
bloemen
Doel: We moeten vriendelijk tegen elkaar
praten, dat doet de ander goed.
Benodigdheden: papieren bloemenkragen, een paar
kinderen, een poppenkastpop.
De poppenkast staat klaar met dichte gordijntjes.
De leidster vertelt dat zij een mooie tuin heeft aangelegd met
schitterende bloemen. Het zijn heel bijzondere, want als je aardig tegen ze
spreekt gaan ze stralen en pronken. Als je daarentegen hen uitscheldt gaan ze
helemaal in elkaar zitten en worden klein. We geven ze water en praten lief
tegen de bloemen. Ze krijgen ook een naam. Dan zegt de leidster: "Ik moet
even weg, passen jullie op mijn tuintje?"
Als de leidster met haar rug naar de kinderen aan de zijkant wat staat
te doen, komt een ondeugende poppenkastpop door het gordijntje heenkijken. Hij
ontdekt de bloemen en begint ze uit te lachen. Hij wil zelfs een schaar om ze
af te knippen De bloemen gaan helemaal in elkaar zitten en als de leidster
komt ziet ze de schade.
"Waarom hebben jullie niet beter op mijn bloemen gepast?"
vraagt ze. "Wie heeft dat gedaan?"
De poppenkastpop krijgt de schuld, maar de leidster gelooft niet dat
die er geweest is. Ze gaat de bloemen weer lief toespreken, giet nog wat water
bij en dan moet ze weer even weg. De tweede keer gaat het weer als de eerste
keer. De leidster gaat eens goed in de poppenkast kijken en ja hoor. Ze vindt
de boosdoener. Hij wordt bestraffend toegesproken.
"Als we jou uitlachen en we zeggen dat je zulk raar haar hebt, hoe
zou jij dat vinden?"
Er wordt uitgelegd (niet te lang) dat we elkaar kunnen zegenen en
vloeken en we eindigen met: "Ik zegen jou in Jezus' naam." (Leuk idee
na het verhaal van Bileam.)