Spelers: Petrus, stem, Theresa, twee mannen.
Petrus: Hè, wat is het hier toch heerlijk koel op het
dak. Nog een paar uur en dan gaat de zon weer onder. Ik ben blij dat ik even
ongestoord heb kunnen bidden. Er is zoveel waarover ik met mijn vriend Jezus
wilde praten. Al mijn zorgen heb ik aan hem verteld en nu ben ik vreselijk
blij.
Vrouwenstem Theresa: Petrus wil je wat eten,
vruchten en wat brood soms?
Petrus: (roept over de rand van het dak): Ja graag
Teresa. Ik heb honger gekregen van het bidden.
Theresa: Komt er aan Petrus.
Petrus: Het bidden heeft mij echt goed gedaan. Al is
Jezus niet meer bij me, toch spreekt hij tot me. Als ik mijn ogen sluit lijkt
het wel of ik bij hem ben. Wat een schitterend licht en al die kleuren. Wat een
hemelse muziek. Het lijkt wel of ik droom…
(Er komt een laken naar beneden zakken met allerlei dieren
erin (knuffels) Viervoetige dieren, kruipende dieren, vogels)
Stem van een engel: Sta op Petrus, slacht en eet
hiervan.
Petrus is verbaasd en kijkt wat er in het laken zit: Bah!
Een varken, een hagedis, een reiger? Nee, dankuwel, ik eet geen onreine dingen,
dat heb ik nog nooit gedaan. Dat is verboden in de Thora.
Stem: Wat God rein verklaard heeft, mag je niet
onheilig noemen.
Petrus: Sorry, maar ik walg ervan.
Stem: Eet ervan Paulus. Het mag van God.
Petrus: Ik zou me vies voelen en zondig.
Stem: Dit is Gods opdracht, Petrus.
Petrus: Nou, daar snap ik niks van.
(Laken gaat weer omhoog.)
Petrus: Wat een vreemd visioen. Wat moet dat betekenen.
Ik denk wel dat het van God kwam, maar moet ik nou echt zwijnenvlees gaan eten?
Ik moet er niet aan denken…
(Bel gaat)
(Je hoort ze beneden vragen): Woont hier soms iemand die
Simon Petrus heet?
Therese zegt: Ja hoor. Hij zit op het dak
gaat u de trap maar op.
(Petrus zit te piekeren wat het gezicht wel zou betekenen
als de twee mannen de trap opklimmen.)
Stem: Petrus, twee mannen zoeken je, ga met ze mee
zonder bezwaar te maken, want Ik heb ze gezonden. Het zijn geen Joden, maar Ik
wil dat ook zij in Mij gaan geloven.
Mannen: Meneer Simon Petrus? Bent u dat zelf? Gelukkig,
we hebben u gevonden. Wij zijn knechten van de hoofdman Cornelius uit Ceasarea,
een Romein, die ook in de God van Israël gelooft. Hij niet alleen, maar zijn
hele gezin is gelovig. Onze meester geeft ook veel geld aan de arme mensen.
Petrus: Kom verder, mannen. Nu begrijp ik wat God mij net
wilde duidelijk maken. Vertel mij waarom u gekomen bent. Ik ben één en al oor.
Mannen: Cornelius
heeft een engel gezien die tegen hem zei, dat God al zijn goede daden heeft
gezien en al zijn gebeden heeft gehoord en dat hij u moest laten overkomen naar
Ceasarea.
Petrus: Echt waar?
Mannen: Ja, echt waar. Wilt u alstublieft met ons meegaan
om ons alles te vertellen over de Messias Jezus Christus? We verlangen er
intens naar om Hem te leren kennen. Ja?
Petrus: Ik, Petrus, in huis bij een heiden? … Ja
natuurlijk. Dat betekende het visioen wat ik net zag. Ik mag niet onrein noemen
wat God rein heeft verklaard. Ik kom heel graag om de blijde boodschap te
brengen. Het is nu al te laat, de zon gaat zo onder, maar morgenochtend vroeg
ga ik met jullie mee. Er is vast wel een slaapplaats voor u beiden en een
lekkere maaltijd, want Therese kookt heerlijk. Wat een geweldige fijne dag is
dit!!
Af.