Simon, de tovenaar
Doel: Het
Bijbelverhaal uit Handelingen 8.
Leeftijd: 6-12
jaar.
Poppen: Simon
de tovenaar,
Filippus, de
evangelist,
vrouw,
meisje,
Petrus.
Attributen:
drie doosjes,
ketting, geldkist, spin, hamertje,
bordje met de
woorden: Simon de grootste tovenaar van de wereld.
Decor:
binnenhuis.
----------------------------------------------------------------
Simon: (timmert
en zingt) Hallo, kinderen. Ik ben zo blij. Weten jullie waarom? Ik heb een
goeie manier gevonden om veel geld te verdienen. Kijk, er zijn veel mensen
met problemen, hè? Jullie weten toch
wel wat problemen zijn? Weten jullie
dat niet eens?
Wat een suffers zijn jullie, zeg. NOU, problemen, dat zijn... eh problemen natuurlijk. Snap dat dan. Dat zijn mensen die ziek zijn en bang zijn enzo... Nou en aan die mensen ga ik mijn toverdingen verkopen, gemalen slangenkoppen enne... poeder van varkenskrulstaartjes en vleermuizeneieren. Dat zit allemaal in deze doosjes. En dan heb ik nog een doos, een heel grote. Kijk eens. Poeh! Groot hè? Dat is nou mijn schaatskist... eh... nee, m'n schepkist... nee, ook al niet... m'n schatkist. Weten jullie waar die voor is? Hè? Juist ja voor m'n geld. Want ik ga me toch een geld verdienen, zeg! Maar nou moet ik eerst even een bordje ophangen, hoor! (timmert) Kijk, hier staat het: "SIMON DE GROOTSTE TOVENAAR VAN DE WERELD."
Nou opgelet!
Ik ga m'n eerste patiënt binnenroepen (Belt met een belletje, vrouw komt
op.)
Vrouw: O, dag grote
wondermeneer, die alles weet. Ik heb toch zo'n pijn in mijn rug.
Simon: Jaha daar heb ik wel een middeltje tegen,
mevrouw. (Tegen de kinderen:) Lekker centjes verdienen, haha! Gaat u
hier maar even liggen. (Aait over de rug van de vrouw en zingt: Slaap,
vrouwtje slaap. Mijn schatkist is een knaap. Daar stop ik al mijn centjes in.
Dan word ik zo rijk als de koningin. Slaap mevrouwtje slaap...)
Vrouw: Au! Je doet
me zeer.
Simon: Ja, krijg een lik van een beer.
Vrouw: Wat zegt u
nou?
Simon: O niks, ga maar lekker liggen. Is het al
over?
Vrouw: Eh! Ik geloof
het wel.
Simon: Mooi zo. Dat is dan vijftig gulden.
Vrouw: Vijftig
gulden? Wat duur zeg!
Simon: Dat is helemaal niet duur. Wil je dan soms
met rugpijn blijven lopen? Zeg het maar
gauw, want dan sla ik het er wel weer even in, hoor!
Vrouw: Nee, nee.
Hier is je geld. Nou dag hoor, meneer Simon en nog bedankt.
Simon: Dag mevrouw, je haar is blauw.
Vrouw komt weer tevoorschijn: Hè?
Simon: O, niks hoor! (Speel nog even heen en
weer.)
Simon: Zo zeg, gelletje, gelletje, gelletje. Dat
stop ik gauw in mijn schatkist. En nou
de volgende. (belt)
Meisje: (huilt)
O, ik heb zo'n verdriet.
Simon: Wat zullen we nou hebben? Wat is er
jongedame?
Zeg het maar
tegen oom Simon. Ik kan je wel helpen. (Tegen de kinderen:) Als ze
tenminste geld bij zich heeft.
Meisje: Ik ben zo
verliefd.
Simon: Verliefd? Wat is dat nou weer?
Meisje: Nou, gewoon.
U weet toch wel wat verliefd is?
Simon: Nooit van gehoord. Doet het pijn?
Meisje: Nee, het doet
geen pijn. Het is juist fijn.
Simon: O, dat rijmt nog ook. Maar waarom huil je
dan?
Meisje: Die jongen op
wie ik verliefd ben, houdt niet van mij.
Simon: Dan neem je toch gewoon een ander. Er zijn
jongens genoeg, hè kind eren?
Meisje: Nee, ik wil
per se Claudius. Die is zo mooi. Hij heeft
paars haar en een brilletje op. Hebt u niet een verliefdheidsmiddel?
Simon: Hè? O dat? Ja hoor! Eens even kijken...
muizenkeutels... eh...
Meisje: O bah. Niet
van die enge dingen, hoor!
Simon: Ja, hier heb ik het. Deze ketting moet je
altijd dragen. Daar worden punkers verliefd van. En het kost... laat eens
kijken... veertig piek.
Meisje: Veertig piek?
U bent toch niet ziek? Hebt u niet wat anders? Iets goedkopers?
Simon: Nee, alleen nog krokodillentanden, maar die
heb je zelf ook.
Meisje: Ik heb
helemaal geen krokodillentanden. Nee, hè
kinderen? Jij hebt zelf konijnentanden. Kijk maar in de spiegel.
Simon: Ik heb geen spiegel thuis. Die is gebarsten
toen ik er de laatste keer in keek.
Nou, koop je de ketting nog ja of nee?
Meisje: Nou, vooruit
dan maar. Ik hoop dat het werkt. Dag meneer Simon. Als we gaan trouwen stuur ik
u wel een kaartje.
Simon: Maar we gaan helemaal niet trouwen.
Meisje: Nee, wij
niet, maar mijn vriend en ik...
Simon: O, zeg dat dan...
Simon: (Als ze weg is:) Hoi, het werkt. Ik
kan geld verdienen als water. Kijk eens
kinderen. Ik word rijk, rijk, rijk en gelukkig tegelijk. Wacht eens. Ik ga een
nog grotere schatkist kopen. Tot straks
hoor. En als er soms klanten komen moet je maar zeggen dat ze even moeten
wachten. (af)
Filippus: (Komt op,
neuriend: Blij blij, mijn hartje is zo blij.)
Filippus: Mmmm? Wat is
dat hier? Wat een eng sfeertje, zeg! Allemaal doosjes. Wat staat erop?
Slangeneieren? Brr! De man die hier woont zal toch geen tovenaar zijn? Wat
denken jullie, kinderen? Woont hier een
tovenaar?
Ja? Hoe heet
die dan? Hè, Simon? O, staat dat op dat bord?
Even lezen, hoor! Simon de grootste tovenaar van de wereld.
Zo, wat een
bedrieger. Alleen de Heer Jezus kan al je
problemen oplossen. Wat zit er in die kist daar? Even kijken. Dat mag wel, hè? (Kinderen roepen
hard nee!) Nee, Nou, ik doe het
toch (Even heen en weer spelen.) O, een heleboel geld! Komt hij daar wel
eerlijk aan?
Volgens mij
houdt hij de mensen voor de gek. Ja, dat heb
ik wel eens eerder meegemaakt. Weet je wat? We zullen hem voor de gek
houden. Als Simon aan zijn schatkist zit, gaan jullie hard zingen: "Je
kunt het niet kopen voor je geld en niet ruilen voor je goed. Je kunt het niet
winnen met een lot en niet verdienen
met wat je doet. Maar niet verder zingen, hoor! Alleen maar dat eerste
stukje. Afgesproken? O wacht, daar komt ie geloof ik aan. (Luistert even en
kruipt dan weg.) Gauw maken dat ik wegkom.
Simon: Hallo, kinderen, daar ben ik weer. Zijn er
nog klanten geweest? Nee? O, gelukkig
maar. Dan is er ook niemand aan m'n
schatkist geweest. Even kijken of al het geld er nog in zit. (Kinderen
beginnen te zingen.) Stop! Wat zingen jullie nou? Je kunt het niet kopen
voor je geld? Wat kan ik dan niet
kopen? Je kunt alles kopen, als je maar geld genoeg hebt. Geld is het leukste
en het liefste wat er is. Ik zou wel willen slapen in m'n geld, of willen
rollen in m'n geld. Laat ik nog eens
even tellen hoeveel ik heb. (Kinderen beginnen weer te zingen.)
Nee, wacht
even. Ik wil het weten. Wat kan ik dan niet
kopen? Een ijskist misschien? Of een kunstgebit? Hè? Nou ik denk dat ik
de volgende klant maar binnen laat komen.Perslot ben ik toch de grote tovenaar.
Filippus: (Achter
het gordijn:) De grote leugenaar.
Simon: Hé, wie zei dat?
Filippus: Ikke.
Simon: Wie is ikke?
Filippus: Ikke, die
hele grote dikke.
Simon: Wat gek. Ik hoor toch duidelijk iemand. Even
achter het gordijn kijken, hoor!
(Speel even kiekeboe.)
Simon: Wie ben jij?
Filippus: Ik ben
Filippus, aangenaam.
Simon: Wat een gekke achternaam, zeg. Filippus
Aangenaam.
Filippus: Dat is
helemaal mijn achternaam niet. Ik heet gewoon Filippus, aangenaam.
Simon: Ja, dat zei ik toch. Dat is een heel gekke
achternaam.
Filippus: Nee, Suffie,
ik heet alleen maar Filippus en verder niks.
Simon: Nou zit dan niet te liegen. Ik heet Simon.
Filippus: Aangenaam.
Simon: O, bedoel je dat. Zeg dat dan eerder. Wat
kom je hier doen, Filippus?
Filippus: Ik kom je
vertellen dat je niet gelukkig wordt door andere mensen te bedriegen. En ook
niet door veel centjes te verdienen.
Simon: O nee? Nou, ik weet zeker van wel. Met geld
kun je alles kopen.
Filippus: Nee, hoor! Er
is iets dat je niet kunt kopen.
Simon: Ja, dat zongen de kinderen ook al. Wat is
dat dan?
Filippus: Dat is geluk
en vrede in je hartje. En het eeuwige leven.
Simon: O, maar dat wil ik ook hebben, hoor! Ik wil
alles hebben. Ik wil graag gelukkig zijn, want zal ik jou eens eerlijk mijn
geheim vertellen?
Filippus: Nou?
Simon: Ik hoor maar steeds een stemmetje in mijn
buik dat zegt: Simon, Simon, je zit de mensen te bedriegen. Daar moet ik soms
van huilen als ik in mijn bed lig.
Filippus: Ja, precies.
En daarom kom ik jou de blijde boodschap vertellen. De kinderen kennen die
boodschap al, hè kinderen? Zingen jullie het hele liedje eens voor Simon.
(Kinderen:) Je kunt het
niet kopen voor je geld. enz.
Filippus: Zie je wel.
Het eeuwige leven wordt gegeven aan een ieder die gelooft. En een ieder, dat
ben jij ook, Simon.
Simon: O, maar dan mag ik zeker niet meer zogenaamd
toveren, hè?
Filippus: Nee, want God
wil niet dat we andere mensen bang maken of bedriegen.
Simon: O, dan ga ik al m'n spullen weggooien. In de
vuilnisbak. Hup, dit doosje eerst
(brengt doosje weg) en dat doosje ook. Ik kom zo terug hoor! (af)
Petrus: (komt op,
zoekend:) Zeg kinderen hebben
jullie soms Filippus gezien? Dat is een
vriend van mij. Die moet ik spreken. Wat? Staat die achter mij? Waar dan? (Filippus
gaat steeds aan de verkeerde kant staan, zodat Petrus hem niet ziet.) Hier soms? Wat? Aan deze kant? O, nou zie ik
hem.
Filippus: Hallo Petrus,
lieve vriend (Omhelst hem.) Ben jij ook in de stad?
Petrus: Ja, en ik heb
gemerkt dat jij hier heel veel mensen de
blijde boodschap hebt verteld. Dat is gewoon geweldig. Heb jij ook gemerkt
dat veel zieke mensen beter worden als ze het horen? Ze dansen en springen van
blijdschap.
Simon: (komt op:)
Hé, wat hoor ik daar nou? Die man daar bij Filippus zegt dat de blijde boodschap mensen beter kan maken. Zou
hij soms ook een tovenaar zijn? Of zou hij een trucje kennen? (Tegen
Petrus:) Hé meneer, kan ik dat trucje soms van u kopen? Ik wil ook zieke
mensen beter maken en verdrietige mensen laten dansen van blijdschap. Ik wil er
best veel geld voor betalen, want centjes heb ik zat. Dan kan ik gelovig zijn en toch nog rijk worden.
Petrus en
Filippus: Oh! Dat mag niet!
Petrus: De blijde
boodschap is helemaal gratis, hoor meneertje Simon. Je moet echt ophouden met
je getover. Anders kun je het eeuwige leven niet krijgen, nooit!
Simon: Mag het echt niet?
Petrus: Nee.
Simon: Ook niet een klein beetje?
Petrus: Ook niet een
klein beetje.
Simon: Heb ik iets slechts gezegd?
Filippus: Ja, Simon,
schaam je.
Simon: Hoe doe je dat schamen voor de ramen?
Filippus: Weet je dat
niet eens? Dat weten zelfs de kinderen wel. Kinderen, weten jullie hoe je je
moet schamen?
Filippus: Juist. Je
moet het echt menen en dan hard roepen: Het spijt me zo. De kinderen zullen je
wel helpen. Hé kinderen? Een twee drie: HET SPIJT ME ZO!
Simon: Ik zal het niet meer doen. Zijn we dan weer
vrienden?
Petrus: Nu weer wel,
ja.
Filippus: Kom hier, ik
zal je omhelzen.
Simon: Hoi, hoi! Ik ga gauw het bord weghalen.
Filippus: En dan zullen
wij met de kinderen nog even dat mooie liedje zingen. Wil jij dan even de
maatslaan, Petrus?
(Je kunt het
niet kopen voor je geld, enz.)
Einde.