Schoon tempeltje
Doel: Het is
een eer voor de Heer als we er schoon en fris uitzien.
Leeftijd: 4-10
jaar.
Poppen: Japie,
een schoffie.
Elsie zijn
zusje.
Attributen:
sok, schoen, veter, washandje, tandenborstel, dropje, bekertje water, wekker, cassetterecorder
met liedje: Weet je wel.
Achtergrond,
een jongenskamer.
(Geluid van
een snurkende slaper. Wekker loopt af.)
Japie: (Komt
geeuwend op) O, hallo, kinderen. Goeiemorge. Ik heb zo lekker geslapen en
zondere te snurken zeg!... Wat? ... Heb
ik gesnurkt? Nietes.
Kinderen: Welles.
Japie: Nietes. Ik
snurk nooit. Ik reutel alleen maar een beetje. Jullie snurken zelf. Ja, dat
jongetje daar, met zijn gele truitje aan. Die snurkt heel gek. Zo: ch, ch, ch!
En dat meisje met die spijkerbroek
snurkt als een trein. Zo Tsjoeketjoeketsjoeke... Nou, weet je wat. Ik zal gauw
mijn cassetterecordertje aanzetten. Dan
krijgen we betere muziek. Ik heb een
bandje van de tante van de zondagschool gehad. Even wachten... (muziek)
(Japie zingt hard mee.) Weet je
wel... Ik kleed me gelijk aan, hoor! (Zwaait met de sok de maat, zingt het
lied uit.)
O, er zit een
gat in m'n sok. (Ruikt er even aan.) Bah! Hij stinkt. Boeh! Ik val haast flauw van de stank. Je kunt wel soep
koken van die sokken. Ach, wat geeft het, als ik m'n schoenen aandoe, zie je er
niks meer van.
En waar zijn
m'n schoenen? O hier. Even aandoen. Zeg, ik kan zelf al mijn veters vastmaken.
Kunnen jullie dat ook? Ik heb een floterdiplema, nee, wacht even, een flieterpyama, nee, ook niet, een
veterdiploma. Ja, dat krijg je alleen maar als je je veters goed vast kunt
maken.
Plok! Oooo,
help, nou is mijn veter kapot. (Laat twee stukken zien.) Nou kan ik hem
niet goed strikken, O, wat erg, nou moet ik mijn schoenen weggooien.
Kinderen: Nee!
Japie: Nee, maar wat
dan? O, ik kan m'n schoen nog wel vastmaken
met een heel klein stukje. Dat staat wel erg lelijk, maar ik ben toch
lelijk.
Moeder roept: Japie, kom je
eten?
Japie: Joehoe, ik
kom. Zo klaar. Even in de spiegel kijken. (geeft een gil) Oewah! Ben ik dat? Wat een vies gezicht en m'n
tanden nog niet gepoetst...
Elsie: (komt binnen) Japie, kom je eten?
Japie: Hallo, kleine
schat (Geeft haar een zoen.) Ja hoor, Japie komt zo. Wil jij soms een lekker dropje uit mijn geheime potje?
Elsie: Ja, lekker,
dlopje. Mmmm. Wat zong jij dernet, Japie?
Japie: Wat bedoel
je?
Elsie: Van dat
tempeltje.
Japie: O dat? Dat
is een liedje van de zondagschool. Zal ik het
jou leren? (Zingt een regel.)
Elsie: Wat is dat
een tempeltje?
Japie: Dat is een
heel mooi gebouw van God. Wacht even. Ik heb er een plaatje van (rommelt
even achter het gordijn, laat zijn zusje dan het plaatje zien.) Mooi, hè?
Kijk, het is een wit gebouw, waar God in woonde, met een gouden deur. Er was
ook een gouwe lamp in. En schoon dat het er was! En als de Heer Jezus in ons
hart woont, dan zijn wij ook tempeltjes. Wil jij dat wel graag?
Elsie: Mm! Maar nou
moet ik weer gauw weg, hoor Japie! Want m'n pop moet nog in bad. Dag meneer
Koekepeer.
Japie: Dag mevrouw,
Koekepauw. Ik kom zo. Nog even m'n sjaal om. Nee, wacht eens even. (gaat nog
eens voor de spiegel staan) O, ik ben helemaal geen tempeltje. Ik heb
ongepoetste handen en ongewassen tanden
... enne een gat in mijn veter en een gebroken sok, eh... nee, andersom.
Moeder: Japie kom je
nou?
Japie: Begin maar
vast met eten, mam. Ik kom zo. (Pakt tandenborstel en poetst zogenaamd
vooral gorgelgeluid maken, een beetje
water naar de kinderen gooien. Pakt een
washandje en zingend poetst hij zijn gezicht schoon.)
Japie: O, wat ben ik
mooi, o wat ben ik mooi, dat heb ik in jaren
niet gezien, zo mooi, zo mooi! Zeg kinderen, als jullie nou even
meezingen, dan gaat het beter.
(Kinderen en
Japie zingen samen): O, wat ben je mooi.
(Japie kijkt
in de spiegel en zingt het liedje nog even alleen. Dan roept hij uit): Hé, nou ben
ik echt een schoon tempeltje. Gauw aan mijn moeder laten zien. Dag! (af)