NT55 - Het meisje met de taliet (deel 2)
Door Josine de Jong
Mat 9- Marc 5- Lucas 8
‘Buurvrouw,
kom gauw, uw dochter… er is iets aan de hand met haar…’
Een paar buurkinderen
komen de vrouw van Jaïrus vertellen dat Bat ziek is
geworden. Ze heeft zomaar overgegeven midden op het pad.
Moeder
schrikt. Wat zou er aan de hand zijn met haar lieve meisje? Vanmorgen vroeg was ze nog zo vrolijk.
Als ze haar strompelend en struikelend naar huis ziet
komen weet ze het al. Bat is ziek. Ze heeft koorts. Haar wangen zijn vuurrood.
‘Kom maar
liefje,’ troost ze, ‘mamma zal een vochtige doek op je
hoofd leggen en je wat citroensap geven. Ga maar lekker op je bed liggen. Ik
pak nog een extra deken, je rilt van de koorts.’
Vader weet
het nog niet. Hij zit in de hof van de synagoge naar rabbi Jezus te luisteren.
O wat kan die mooi de wet en de profeten uitleggen. Er zijn heel veel mensen om
hem heen. Velen zitten gewoon op de grond aan zijn voeten. Anderen staan tegen
de zuilen geleund te luisteren. De fontein in het midden klatert met een
kalmerend geluid.
‘Het woord
van God is net als zaad dat in een akker valt.’ zegt Jezus. ‘Ontvang het met
blijdschap. Dan zal het in je vruchtdragen.’
Een klein
jongetje kruipt bij Jezus op schoot. Jaïrus’ bruine
ogen kijken Jezus aan. Hij is diep geraakt. Deze rabbi is echt de Messias van God.
Aan het
eind van de middag vertrekt Jezus met zijn leerlingen in een schip naar de
overkant van het meer. Jaïrus sluit de synagoge en
gaat naar huis om te eten. Het is broeierig warm. Zou er slecht weer komen? Een
vlieg zeurt om zijn hoofd. Jaïrus slaat ernaar, maar
hij komt steeds terug. Thuisgekomen wacht hem het slechte nieuws.
Het gaat
niet goed met Bat. De koorts wil maar niet zakken. Haar keel is rood opgezet. Jaírus wijkt niet van haar zijde. Samen met zijn vrouw
verzorgt hij haar, zelfs in de nacht. Haar krullen plakken tegen haar lieve
gezichtje. De olielamp flikkert in de wind die door het open raam naar binnen
komt.
‘Je hebt
niet te vrezen voor de verschrikking van de nacht,…’
citeert Jaïrus psalm 91, de lievelingspsalm van Bat.
Hij heeft zijn taliet omgedaan. Als Jezus er nu maar was, dan zou hij naar hem
toegaan. Maar Jezus is weggevaren. Hopelijk komt hij vanmiddag terug.
Het meisje
beweegt en slaat haar ogen op, alsof de psalm haar helderder doet denken.
‘Pappa,‘
fluistert ze met gebarsten lippen, ‘de oude… taliet…
Ik… wil hem om, pappa.’
Jaïrus
begrijpt meteen wat ze bedoelt. Hij kent haar geheimpje wel… Bat wil in haar
ellende bij God schuilen. Op zijn tenen sluipt hij weg om in de synagoge de
oude taliet te halen.
Als het scheepje van Petrus de
volgende middag aanlegt staan er honderden mensen op Jezus te wachten.
Nieuwsgierigen, zieken, oude en jonge mensen, mannen en vrouwen. Men vertelt
elkaar opgewonden wat er gisteren gebeurd is in het land van de Gadarenen. Een bezeten man, die iedereen kent, is volkomen
genezen door Jezus. Iedereen verdringt zich om het laatste nieuws te horen.
Jaïrus
kan er bijna niet doorkomen.
‘Pardon, mag ik even langs.’ vraagt hij telkens weer.
‘Zijn dochtertje is ziek,’
fluisteren de mensen.’ Iedereen kent hem en is met hem begaan.
Bij Jezus gekomen valt hij voor hem neer.
‘Heer, ga alstublieft mee naar mijn huis, mijn dochtertje is
ziek.’
Jezus knikt, richt hem op en loopt met hem mee. Maar het
gaat zo langzaam. Voetje voor voetje schuifelen ze voort. Zo kan het nog wel
een uur duren.
Tot
overmaat van ramp, (voor Jaïrus dan) wordt de Heer
ook nog opgehouden door een vrouw, die na twaalf jaar ziek te zijn geweest, nu
op slag genezen werd door het aanraken van Jezus taliet. Het hoe en wat gaat
een beetje aan Jaïrus voorbij. Hij stikt haast van de
spanning. Elke minuut telt. Ze komen beslist te laat.
‘Jaïrus, …’ Iemand tikt hem op de schouders. Het is één van
zijn medewerkers met een droeve mededeling. ‘Ik kom je
roepen namens je vrouw. Je dochter is net overleden. Val de meester maar niet
verder lastig.’
Alle grond
zakt onder Jaïrus’ voeten weg.
‘Jezus!!’ schreeuwt hij, ‘Help ons.’
Jezus
hoort het en zegt: ‘Wees niet bang. Geloof alleen. Ze zal behouden worden.’
Dan gaat
ineens alles heel snel.
De buren
bij de ingang van Jaïrus’ huis huilen en weeklagen
over het overlijden van Bat. Als ze zien dat Jezus bij hem is willen ze ook
naar binnen, maar Jezus wijst alleen Petrus, Johannes
en Jakobus aan. De kamer is vol klaagvrouwen met blote armen en losse haren,
die zo hard kunnen huilen, dat horen en zien je vergaat. Ze slaan zich op de
borst en trekken zelfs haren uit hun hoofd.
‘Stop
daarmee!’ zegt Jezus geïrriteerd. Hij zet hen gewoon de deur uit. ‘Het meisje
is niet dood. Ze slaapt.’
De
klaagvrouwen lachen Jezus uit omdat ze wel beter weten. Lawaaierig verlaten ze
het huis. Hun scherpe ruziestemmen zijn nog lang te horen.
Eindelijk
is het stil.
Jezus
kijkt naar het dode meisje, gewikkeld in de taliet. Twaalf jaar is ze, veel te
jong om te sterven. Ze ligt erbij als een mooie pop.
Dan pakt
Jezus haar koude hand en roept: ‘Talita koem,’ dat wil zeggen: ‘Meisje in de
taliet, opstaan!’
Onmiddellijk
slaat Bat haar ogen op. Haar geest keert terug in haar lichaam tot stomme
verbazing van haar ouders en de discipelen.
‘Mamma,
pappa!’ zegt ze, overeind krabbelend. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Geef haar
maar wat te eten,’ lacht Jezus. Moeder botst tegen vader op in haar haast om
wat te eten te halen...
Het
onvoorstelbare is gebeurd. Bat die dood was, leeft weer! Jezus is werkelijk
overwinnaar over de dood.
‘Nog één
ding,’ zegt hij tegen Jaïrus, ‘Spreek met niemand over
wat er hier gebeurd is.’
Wat een
moeilijke opdracht. Wie zou dat kunnen opbrengen? Je zou het van de daken
willen schreeuwen: ‘Mijn dochter was dood, maar ze leeft weer!’
Maar Bat
zelf is al een getuigenis. Overal waar ze komt noemen de mensen haar voortaan Talita, het meisje in de gebedsdoek.