Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Het Woord van God, de Tora, werd elke dag belangrijker voor
Jezus. Doordat hij op school zes jaar lang elke ochtend een stuk uit zijn hoofd
moest leren kreeg hij een grotere woordenschat en werden zijn gedachten
gevormd. Jezus kon heel goed leren, dus hij ging
zichzelf en anderen vragen stellen. Waarom deed God dit en waarom gebeurde er
dat? De verhalen van Jozef in Egypte vond hij erg mooi en ook van Abraham die
zelfs zijn zoon wilde offeren als God het vroeg en dat God een ram voor de
jongen in de plaats stuurde. Hij dacht nog wel eens terug aan zijn
lievelingslam, die door de herder ‘de Gave’ was genoemd. Dat gave lam, dat
geofferd was in de tempel…
Soms, in zijn dromen, of tijdens zijn gebeden kreeg hij
ineens een helder inzicht in bepaalde zaken van God. Dan werd hij blij wakker
met een soort verjaardagsgevoel omdat de dingen klopten en een verlangen naar
meer opwekten. Hij praatte er veel met zijn broers en zusje over. De mensen om
Jezus heen waren ook erg op hem gesteld. Voor zijn ouders was hij een makkelijk kind. Hij deed wat ze zeiden zonder problemen. Dat
was wel eens anders met kinderen uit die tijd. Zo af en toe bracht een vader
zijn zoon naar de poort omdat de jongen niet wilde luisteren en slechte dingen
bleef doen. Dan bemoeide de hele stad zich ermee. Dat was geen lolletje, maar ja, het stond voorgeschreven in de Tora, dus gebeurde het zo.
Je zou denken dat een knul die nooit eens slechte dingen
doet geen vrienden heeft. Je zou kunnen denken dat Jezus een saaie piet was,
maar integendeel, er zwermden altijd veel vrienden om hem heen. Het is ook
gewoon niet waar dat etterbakkies leuk zijn en goeie
kinderen saai. Nee, hoor! Er werd veel gelachen in de buurt waar Jezus woonde.
Grappige dingen, leuke dingen, echte vriendschappen, voor elkaar opkomen, samen
huilen samen lachen, je brood delen met wie honger heeft. Zo ging het bij
Jezus. Jozef en Maria werden soms staande gehouden door buren en kennissen, die
zoiets zeiden als: ‘Zeg, wat hebben jullie een goeie
zoon. Je bent wel gezegend met zo’n kind.’ Ze
bedankten dan vriendelijk en keken elkaar veelbetekenend aan. Zij kenden immers
het geheim van zijn geboorte. Ja Jezus nam toe in
wijsheid en grootte en genade bij God en de mensen. Maria bewaarde al die
woorden in haar hart.
Maar er brak nu een nieuwe tijd aan. Op school leerden ze nu
ook de overleveringen, dat waren allerlei voorschriften hoe je volgens de wet
van God moest leven. In de Tora stond dat je op
sabbat moest rusten en in de overleveringen stond het uitgewerkt. Hoever je een
wandeling mocht maken op sabbat en of je je koe wel
uit de put mocht halen als hij er op sabbat inviel. Dat je je
handen moest wassen als je naar de markt geweest was en hoe je de gebedsbanden
om je arm moest binden, enzovoorts. Honderden voorschriften en wetjes.
En er was nog iets dat veranderde… De meisjes gingen meer
giechelen als je bij hen in de buurt kwam. Kinderen in die tijd trouwden al
heel jong, als ze twaalf of dertien waren. Vast en zeker waren er ook ouders,
die een jongen als Jezus wel zagen zitten voor hun dochter. Want een huwelijk
werd gearrangeerd door de ouders. Meisjes werden gekocht voor een kameel en een
schaap, als je geluk had voor meer. Ging Jozef ook op zoek naar een vrouw voor
Jezus?
Dat denk ik niet. Jozef en Maria wisten wat voor beloftes er
op zijn leven lagen. De dag dat Maria de aartsengel Gabriël
had gezien stond haar nog dagelijks helder voor ogen. ‘Jouw zoon zal groot zijn
en zoon van de Allerhoogste genoemd worden … en zijn koningschap zal geen einde
nemen.’
En Jozef wist ook heel goed, hoe bijzonder Jezus was. Jezus was niet van hem, maar God was zijn vader.
‘Je moet hem Jezus noemen,’ had een engel in een droom tegen
hem gezegd. ‘want Hij is het die zijn volk zal redden van hun zonden, precies
zoals voorspeld door de profeten.’
Wat een bijna onmogelijke taak voor twee eenvoudige mensen.
De zoon van God, hoe kun je die opvoeden?
Als je het hem te vroeg vertelt zou
hij dan arrogant worden of een buitenbeentje? Ze konden bij niemand om raad
vragen maar deden wat hun hart hen ingaf. En God zelf leidde alles.
Op een dag namen Jozef en Maria Jezus mee naar een mooi
plekje in de buurt, waar je een prachtig uitzicht had op de omgeving. Jozef
streelde de donkere krullebol van de jongen en trok
hem tegen zich aan.
‘Jezus, mamma en ik willen graag
met jou praten… ‘
Met stijgende verbazing luisterde Jezus naar het verhaal van
Jozef en Maria. Het voelde aan als thuiskomen. Een grote blijdschap borrelde in
hem op. Hij was de zoon van God! En zijn andere broers en zusje? Hadden zij wel
Jozef als vader? Dat moest hij even verwerken, hoor!.
‘Pap, mam, willen jullie mij even alleen laten? Ik… eh… wil met mijn Vader praten!’ zei hij.
Terwijl Jozef en Maria elkaar een eindje verder ontroerd
omhelsden, stond Jezus daar, een eenzame jongen op het randje van de afgrond
met zijn handen naar de hemel geheven.
‘Vader, ik ben uw kind, wat wilt u dat ik doen zal?’ zei hij
blij.
Halleluja. Jezus had de zin van
zijn leven ontdekt.