NT02 - HIJ KWAM BIJ ONS HEEL GEWOON
Geschreven
door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Het lijkt een heel gewoon ezeltje, dat over de bergpaden van Galilea loopt. Hij zet zijn slanke pootjes voorzichtig neer.
Klippeklappeklippe...
Pas op de stenen, ezeltje.
De belletjes
aan zijn leidsels rinkelen vrolijk. De kwasten van zijn zadelkleed slingeren
heen en weer. Heen en weer. De jonge vrouw, die op het ezeltje zit, hoeft niet
eens te mennen. Langs de steile ravijnen brengt het haar veilig verder. De
vrouw lijkt ook maar een gewone vrouw. Ze draagt een blauwwollen overkleed en
een witte doek over haar lange zwarte haren. Naast de ezel loopt haar man
Jozef. Zijn ogen staan bezorgd. Zo af en toe gaat zijn blik naar zijn vrouw.
'Gaat het wel,
Maria?'
Och, zijn
vrouw ziet er zo vermoeid uit. Soms wrijft ze even pijnlijk over haar rug.
'Ja hoor,'lacht Maria geruststellend, 'Maar ik zal wel blij zijn als
we straks bij de beek zijn. Dan kunnen we wat drinken en onze voeten afkoelen.
De baby schopt nogal weet je.'
Jozef knikt
begrijpend. Hij jaagt een dikke vlieg weg, die steeds maar op z'n gezicht wil gaan zitten. Ja, reizen is altijd al
vermoeiend, maar voor Maria, die een baby verwacht, is het extra zwaar. Hij was
veel liever thuisgebleven in Nazaret. Hij had veel
liever gewerkt in zijn timmerwinkel. Maar keizer Augustus
wil, dat iedereen zich laat inschrijven om geteld te worden in zijn geboorteplaats.
En wat de keizer wil dat moet gebeuren. Zo zijn ze dan op weg naar Betlehem, de stad van koning David. Want deze twee gewone
mensen zijn nakomelingen van die beroemde koning. Ze zijn niet rijk, maar toch
dragen ze een heel kostbare schat met zich mee. De grootste schat van God
zelf...
Het bergpad
maakt een bocht. Nu komen ze in de schaduw van de berg. Brr!
Wat is de wind opeens guur na die hitte van daarnet. Jozef en Maria trekken
hun jassen dichter om zich heen. De ezel schudt één oor snel heen en weer.
Zeker een luisje, dat hem kriebelde.
'Iahh- Iahh!' balkt hij.
Twee brutale
kraaien midden op het pad schrikken ervan en vliegen snel weg. Tevreden stapt
het dier verder. Zou hij weten wat voor een grote schat hij vervoert?
Betlehem lijkt ook maar een heel gewoon stadje. Temidden van korenvelden en golvende heuvels is het één van
de kleinste plaatsen van Judea. De witte huizen
schuilen knusjes weg achter de muren. Er zijn wat werkplaatsen in de
kronkelige straatjes. Open winkels zijn het van een schoenmaker, een smid en
een pottenbakker. Midden op het grote plein in de stad wordt dagelijks markt
gehouden. De spullen liggen zomaar op de straat: sinaasappelen, meloenen, leren
riemen, kippen, platte broden... De handelaren, meest vrouwen en kinderen,
zitten ernaast. Vandaag is het erg druk in Betlehem. Er zijn heel veel vreemdelingen. Dat komt door
die volkstelling.
Je kunt de
poort haast niet uit. Een grote kameel kijkt trots neer op al dat volk. Een
beetje zenuwachtig is hij toch wel. Z'n baas leidt hem
met vaste hand naar een herberg. Iedereen is trouwens op zoek naar een
plaatsje om te overnachten. Maar de herbergen zitten barstens vol...
O, kijk eens
wie daar eindelijk aankomen! Dat zijn Jozef en Maria.
'Wacht hier
maar even, Maria,' zegt Jozef. 'Dan ga ik even een herberg opzoeken. Ik Ben zo
terug.'
Maria knikt.
Ze gaat wat aan de kant met de ezel, die al gelijk een stukje gras tussen de
straatstenen vandaan eet. Het duurt lang, erg lang! Eindelijk is Jozef terug.
Teleurgesteld
zegt hij: 'Maria, er is nergens plaats, maar we kunnen wel in een stal. Zou je
dat erg vinden?'
'Tuurlijk niet, Jozef. Alles is beter dan niets. Laten we
maar gauw gaan, want ik ben echt doodmoe.'
Het wordt snel
donker. Overal gaan lichtjes aan, hoewel niet voor lang, want iedereen heeft
slaap. Maar ergens in het slapende Betlehem blijft
een olielampje branden. Is dat niet in de stal waar Jozef en Maria zijn? Waarom
slapen zij nog niet?
'Wah!- oewehhhh!' klinkt een klein
babyhuiltje. Och, kijk toch eens! Het kindje is
geboren. Het is een rozebruin jongetje met plakkerige
zwarte haartjes, dat trappelt met de beentjes en huilend met de armpjes in het
rond maait. Maria kijkt trots naar haar eerstgeboren zoon. Dan wikkelt ze hem
in doeken, heel gewoon, zoals alle moeders in Israël doen.
Het lijken ook
maar heel gewone herders, die buiten de stad op de kudde passen. Dat moet wel.
Er zijn altijd wel rovers of wilde dieren, die op de beesten loeren. Daarom
hebben ze een flink vuur aangemaakt en hun knotsen aan de gordels gebonden. Een
grote stok ligt altijd binnen bereik. Die ruwe kerels in hun warme
schapenvachten zijn geen mannen van veel woorden. Ze begrijpen elkaar met een
enkel gebaar.
'Mèmèmè!' klinkt het dan weer hier en dan weer daar. Mèmè!
De herders
kennen al die geluiden. Ze merken het direct als er onheil dreigt. Maar dan
ineens wordt die heel gewone nacht een heel bijzondere. Ineens is er een licht,
een vreemd geruis, een klinkklare stem met een merkwaardige echo. De herders
schrikken zich ondersteboven. Ze vallen op de grond, bedekken hun ogen met de
armen.
'Vrees niet!'
horen ze. 'Wees liever erg blij. Want zojuist is de Heiland geboren: Jezus. Ga
maar in de stal kijken...'
Angstig kijken
de herders een beetje onder hun armen door naar het licht. Ze zien één engel
dichtbij en duizenden wat verder weg. Zacht ruist een melodie, die je hart
sneller doet kloppen.
'Ere aan God
in de Hoogste Hemelen en vrede op aarde voor de mensen van wie Hij veel houdt.'
Hoe lang duurt dat zingen? Een eindeloos ogenblik. Onverwacht is alles weer
weg. Alles lijkt weer heel gewoon: duisternis, sterren, geruis van de wind,
dierengeluiden...
De herders
kijken elkaar aan, overleggen even en nemen dan het besluit te doen wat de
engel zei: 'Dit zal voor jullie het bewijs zijn. Je zult het kindje vinden in
doeken gewikkeld, in een stal.'
In die
ongewone nacht staan gewone herders in een vuile stal naar een pasgeboren
kindje te kijken. Het ezeltje legt zijn kop over Jozefs schouder
en kijkt mee.
Het grootste
wonder van de wereld is zo gewoon. Het is Gods zoon die voor ons op de aarde
komt.