Brief aan mijn
zusje in Samaria
Je keek mij aan, zomaar onder de preek,
ogen groot en donker, glanzend van ontroering. Je sprak met je ogen, sprak
zonder woorden. 'Nog steeds,' zei je, 'is mijn verhaal niet verteld.'
Ik begreep je meteen.
Op je twaalfde, een kind nog, uitgehuwelijkt aan een veel te oude man, die
je opa wel kon zijn. Toen hij overleed kwam je weer bij je ouders thuis, waar
je broers over je baasden. Ze verkochten je als tweede vrouw aan een koopman,
die je sloeg en als slavin behandelde.
Al zijn schulden betaalde hij met jouw schoonheid. God alleen kent je
roepen in de nacht. Je hebt groot gelijk, dat je wegliep, je moest jezelf
beschermen. Met je kind ging je in een zelfgemaakte hut aan de rand van het
ravijn wonen, waar de rijke mannen uit de buurt je wisten te vinden. Zusje, je
moest toch ergens van leven?
Weet je eigenlijk wat echte liefde is? Ik
huil om jouw en al die meisjes die hetzelfde meemaken. Wat ben ik blij voor je,
dat je Jezus vond, daar bij die bron. Hij veracht je niet.
Er
is hoop voor ons allen, lieve, hoop voor vrouwen zoals jij. Kom, ik wil je een
dikke knuffel geven, in Jezus' naam.