'Ik was niks meer dan zo'n geit'

INTERVIEW - MUKHTARAN BIBI

Door Linda Polman - Uit Wordt Vervolgd, december/januari 2007

De Pakistaanse Mukhtaran Bibi werd in 2002 veroordeeld tot een collectieve verkrachting. Het was voor het eerst dat een dorpsraad zo’n straf uitsprak, en ze werd er wereldnieuws door. Nu ijvert ze als Mukhtar Mai, ‘gerespecteerde grote zus’, voor scholing en andere rechten voor vrouwen. Onlangs was ze in Nederland. Linda Polman tekende haar verhaal op.



‘Ik, Mukhtaran Bibi, ben geboren in Meerwala. Dat is een dorp in de Punjab in Pakistan. Bij ons mogen meisjes niet naar school. Alles wat meisjes moeten weten, leren ze thuis van hun moeder: chapati’s maken, rijst of dal koken, de was doen en die aan de stam van een palmboom te drogen hangen, de kleine kinderen in slaap wiegen en water halen bij de pomp. Op een goede dag is het voor meisjes tijd om te trouwen en kinderen te krijgen en zo gaat het maar door, van de ene vrouw op de andere. Wat ik óók van mijn moeder geleerd heb is dat ik, net als alle andere vrouwen, het eigendom ben van de mannen in mijn familie. Ik ben als een voorwerp waarmee ze mogen doen wat ze willen. Mannen geven ons weg als ze bijvoorbeeld een belediging moeten goedmaken, en als mannen ruzie met elkaar hebben nemen ze wraak op óns, de vrouwen van de tegenstander. Binnen dat recht is alles toegestaan: de neus van je echtgenote afhakken, je zus in brand steken of de vrouw van een buurman verkrachten. En als de politie een man weet te arresteren vóórdat hij iemands vrouw of zuster heeft kunnen vermoorden, is er altijd wel een mannelijk familielid bereid om de eerwraak voor broer of neef verder af te maken.

In de nacht van 22 juni 2002 werd door de jirga, de dorpsraad van Meerwala, bepaald dat ik voor ze moest verschijnen om vergiffenis voor mijn familie af te smeken. Ik ging natuurlijk, maar wist niet waarvoor de vergiffenis nodig was. Pas later begreep ik dat het voor mijn broertje Shakkur was. Een familie in ons dorp beschuldigde hem ervan Salma te hebben verkracht, een van hun dochters. Shakkur was nog maar 12 jaar oud en Salma was de 20 al gepasseerd.
Ik heb gesmeekt en gejammerd, precies zoals me was opgedragen, maar de vergiffenis kwam niet. In plaats daarvan wilde Salma’s familie me dood hebben. Door me dodelijk te vernederen. Een verkrachte vrouw heeft bij ons namelijk geen andere uitweg dan zelfmoord te plegen. “Doe met haar wat jullie willen”, zei de voorzitter van de jirga. Een groep mannen greep daarop mijn armen vast, ze trokken aan mijn kleren en mijn haren en sleurden me mee. Op de moddervloer van een stal hebben vier mannen me verkracht. Daarna schopten ze me naar buiten. Halfnaakt moest ik dwars door het dorp terug naar ons huis.

De eerste dagen daarna was zoutzuur drinken het enige waar ik aan kon denken, maar ik had geen geld om het te kopen. Toen me duidelijk werd dat zelfmoord niet zou lukken, veranderde mijn wanhoop in woede. Zo woedend als ik toen werd, was ik nooit eerder geweest. Wráák wilde ik, maar ook daarop hebben vrouwen geen recht. Alleen mannen mogen zich wreken. Door geweld te plegen tegen vrouwen. Wat toen precies in mij vaarde weet ik niet, de steun van mijn vader heeft zonder twijfel geholpen, maar ik ben naar het politiebureau gegaan om aangifte te doen.

Verkrachtingen zijn niet bijzonder, die gebeuren iedere dag, maar in mijn geval was het de eerste keer dat een jirga als straf een collectieve verkrachting had voorgeschreven. Dat was nieuws! Een journalist van een provinciale krant kwam naar ons huis om met me te praten. Op dat moment wist ik dat niet, maar mijn verhaal kwam de dag daarop ook in Islamabad in de krant en de dag dáárna stond het ook in buitenlandse kranten. Ons dorp werd opeens overspoeld door vreemdelingen: ook mensen die voor mensenrechtenorganisaties werkten. Wat er allemaal aan de hand was wist ik niet, maar wat ik wél begreep, was dat de opschudding in het dorp me beschermde tegen wraak van mijn verkrachters.

Vier dagen lang was het in Meerwala een drukte van belang. Ik, Mukhtaran Bibi, was een staatsaangelegenheid geworden! Zelfs de minister van Justitie werd over mijn zaak ondervraagd door de BBC-radio! Iemand las me een rapport voor waarin stond dat er in onze provincie in één maand tijd meer dan twintig vrouwen waren verkracht door 53 mannen! Ook vertelden ze me over drie broers een paar dorpen verderop, die hun schoonzus levend in brand hadden gestoken omdat ze overspel zou hebben gepleegd. Ze werd gered door haar vader, maar is in het ziekenhuis overleden.
Het duizelde me. Opeens zag ik mijn omgeving door de ogen van die vreemdelingen. Ik zag overeenkomsten tussen mijzelf en de geiten die op ons erf zijn vastgebonden zodat ze niet kunnen weglopen. Ik had dan misschien geen touw om mijn nek, maar ik was niks méér dan zo’n geit, begreep ik opeens. Voorbij mijn dorp, voorbij de provincie tot aan Islamabad, bleek er een hele wereld te bestaan die ik niet kende. Daar waren vrouwen journalist, lerares, arts of advocaat. Ik wilde dat óók, maar kon niet eens lezen en schrijven.

Veertien mannen uit ons dorp werden gearresteerd en tegelijkertijd kwamen er vijftien gewapende politiemannen naar ons huis om te zorgen dat familieleden van de arrestanten me geen kwaad konden doen. Mijn arme bewakers moesten buiten slapen, onder de bomen. Ook kwam er een vrouw uit Islamabad. Ze was de staatssecretaris van Vrouwenzaken en was gestuurd om me 500.000 roepie (zo’n US$ 8000,-) te geven. ‘Voor een advocaat’, zei ze. Ik was blij, maar wist dat het geld snel zou opgaan aan eten en drinken voor de politiemannen, want die moesten een jaar voor ons huis blijven posten.

Het hele land leefde mee. Nog nooit was een man gestraft voor een misdaad op grond van eerwraak. Om de internationale pers en de mensenrechtenorganisaties te laten zien dat er in Pakistan wel degelijk rechten voor vrouwen zijn, veroordeelde de rechtbank twee maanden na mijn verkrachting zes mannen ter dood. Vier omdat ze mij verkracht hadden en de andere twee omdat ze tijdens de jirga-bijeenkomst tot de verkrachting hadden aangezet. Ze moesten mijn familie ook 50.000 roepie schadevergoeding en rente betalen.

Er zijn nu bijna vier jaar voorbij gegaan. Mijn verkrachters zijn in hoger beroep gegaan: de zaak loopt nog steeds. Mijn verhaal staat inmiddels in drie talen in een boek, ik heb een brief gekregen van de vrouw van president Bush, deze week ga ik op bezoek bij de burgemeester van Parijs en in oktober was ik in Tilburg om studenten op de universiteit toe te spreken. De school in Meerwala is er gekomen – 350 meisjes hebben er al leren lezen en schrijven en ikzelf ook. We hebben in Meerwala nu ook een hulpgroep voor vrouwen die bescherming en goede raad nodig hebben. Ze noemen me Mukhtar Mai, ‘gerespecteerde grote zus’. Soms vertellen vrouwen me dat als hun man hen zou slaan, ze zouden dreigen met de woorden: pas op of ik zeg het tegen Mukhtar! Meer vrouwen in onze streek doen nu aangifte als ze verkracht zijn. Maar vergis je niet: bij ons zijn vrouwen nog stééds hetzelfde waard als een geit. Nog steeds staat er politie voor mijn deur. Veel Pakistaanse mannen zijn woedend op me, omdat ik ze een slechte naam zou bezorgen. Autoriteiten voeren een stille oorlog tegen me. Ze zeggen dat ik een leugenaar ben en een vazal van India. Of ik zal blijven leven, of doodgemaakt word, is in handen van God.’

Onteerd, de autobiografie van Mukhtar Mai, is verschenen bij uitgeverij Arena