Ideeën voor kinderwerk met
kinderen van twee en drie jaar.
Kinderen in die leeftijd zijn nog geen groepskinderen. Je moet ze individueel benaderen. Pas op vierjarige leeftijd kunnen ze functioneren ze als groep. Natuurlijk heb je ze in een groep en ze spelen ook. Het lijkt wel of ze samen spelen, maar als je goed oplet is het simultaan, naast elkaar, bij elkaar en heel eventjes met elkaar.
Ze vinden het ook fijn als er andere kinderen zijn. Ze begrijpen dat ze bij elkaar passen. Als je iets over wilt brengen doe je het dus niet aan de groep, maar aan elk kind individueel. Naar gelang hun ontwikkeling.
Hoe nemen ze iets op?
1. Terloops. Een kind zegt wat en ineens hoor je het andere kind hetzelfde zeggen. Papegaaien. Het wil niet zeggen dat ze ook snappen wat ze zeggen.
2. Oogcontact. Heel belangrijk. Er zijn ouders die nooit oogcontact maken en positieve dingen zeggen. Ze kijken het kind nauwelijks aan en zeggen alleen maar negatieve dingen. Bijv. Geef hier. Doe dat niet. Schei uit!
3. Onze lichaamstaal is belangrijk. Kijk eens hoe de ene peuter met de andere praat. Een beetje voorovergebogen...
4. Op schoot. Ze willen graag warmte en geborgenheid. Lees uit de peuterbijbel en wijs de plaatjes aan.
5. Zingend en dansend. Een blij kind is open om te leren. Zorg dus voor liedjes met goede inhoud. Leuke melodietjes geven het kind al jong de indruk dat alles wat met Jezus te maken heeft fijn is. Let wel op of de melodie een kleuterdeun is. Ze willen ook graag samen dansen. Jan Huygen in de ton, kringspelletjes dus.
6. Ze houden van poppenkastpoppen. Ze denken dat ze echt zijn en praten terug als de “pop” iets vraagt. Geef
je hen zelf een pop in handen dan zeggen ze: Hij doet het niet. Voor hen is de pop echt!
7. Vragen stellen . Laat hen denken. Vraag veel aan ze. Waarom dit of dat? Je staat verbaasd om hun antwoorden.
8. Plaatjes kijken.
9. Ritme en rijm. Ze genieten van woordspelingen, rijmpjes, opzegversjes, bewegingsversjes.
10. Doen. Geef het kindje eens een handje, ruim de blokken eens op, enz.
11. Door tekenen en schilderen. Ze hebben nog een grove motoriek, dus grote kwasten, groot papier. Door alle zintuigen. Ruik de roos eens. Voel het zachte lammetje. Proef de honing. Hoor de vogel.
12. Door een rustige vredige sfeer. Omdat ze gauw afgeleid zijn, moet je zorgen voor stilte als je ze wat leert. Ze moeten ook rustmomenten hebben. Drinken en eten doe je zittend.
13. Voor alles is een tijd. Vaste regeltjes, vaste regelmaat. Vaste gewoontetjes. Voor het eten bidden we, na het eten zingen we...
14. Herhaling vinden ze heerlijk. Als je afwijkt maken ze je er wel op attent.
Let op:
Ze leren snel. Kijk maar eens naar de reclameliedjes die ze oppikken van de tv.
Je kunt hen al teksten leren. Ze zullen ze wel weer vergeten als je ze niet herhaalt.
Zelf muziek maken vinden ze heerlijk.
Ze kunnen nog geen verschil maken tussen echt en gespeeld. Als je speelt dat je de boer bent en zij zijn de varkentjes, dan is dat echt voor ze. Zelfs als ze zien dat je je verkleedt als Sinterklaas dan nog ben je het als je aangekleed bent, en niet meer hun juf of meester.
De zes basis behoeften van een kind zijn:
1. Ze willen belangrijk gevonden worden.
Ze
vinden het fijn als je hun naam onthoudt, als je naar hen luistert.
2. Ze willen een complimentje krijgen.
3. Ze willen geaccepteerd worden.
Ook als
ze uit de boot vallen.
4. Ze willen zich veilig voelen.
Ze
moeten op ons aan kunnen. Ons humeur moet niet van invloed zijn.
5. Ze willen liefde delen.
Snoepjes geven o.i.d.
6. Ze willen leiding ontvangen.
Door de
tien geboden, door teksten te leren, door regels.
Als je jonge kinderen toch in een groep moet doen, vertel dan met gebaren. Dan laat je ze meedoen met je verhaal.
Vragen voor groot ganzenbord op de grond, bestemd voor peuterwerkers. Leuk om eens op een instructie avond te doen.
2. Noem drie basisbehoeften van een peuter.
4. Zing met de groep een peuterliedje.
6. Wat doe je als een peuter in paniek raakt, bijv. door een bij?
a. Je schreeuwt tegen het kind dat er niks aan de hand is.
b. Je blijft rustig en slaat je armen om hem heen.
c. Je jaagt de bij weg.
8. Peuters zijn gauw jaloers. Als je voor een kind voorleest en het andere kind wil aandacht, wat doe je dan?
a. Je geeft het andere kind een standje.
b. Je neemt het kind ook op schoot.
c. Je zegt: Strakjes ben jij aan de beurt.
10. Noem eens twee kringspelletjes.
12. Een kindje is erg druk. Het loopt maar te rennen. Wat zou er mis kunnen zijn?
14 Je hebt een kind een tijdje geobserveerd en met de moeder gesproken. Goed gedaan, je mag drie plaatsen vooruit.
16. Maak eens een rijmpje met de volgende drie woorden: schatje, katje, matje.
18. Je was moe en de kinderen waren lastig. Aan het eind van de dienst kom je tot de ontdekking, dat je alleen
maar standjes heb lopen uitdelen. Wat ga je doen?
20. Je hebt zonder plaatjes verteld. Ga drie plaatsen terug.
22. Waarop moet je letten als je een peuter kleurtjes geeft of verf?
24. Noem vier verhalen uit de bijbel die geschikt zijn voor peuters.
26. Hoe maak je een schudbusje?
28. Noem een tekst uit de bijbel die over kinderen gaat.
30. Als peuterleider/ster moet je vaak ruzietjes sussen. Wat is je beste trucje?
32. Je dacht dat je voor peuters niet hoefde te vertellen. Beurt overslaan.
34. Noem drie dingen met een b die belangrijk zijn voor een peuter.