
1. Trouw in het
bezoeken van haar/zijn eigen diensten.
2. De kinderen merken
dat ze/hij leeft met de Heer en alle dingen ook in vertrouwen op God doet.
3. Ze zegent de
kinderen, geeft hen persoonlijke warmte.
4. Zij/hij bidt ook
voor kinderen tijdens de dienst als ze ziek zijn of problemen hebben.
5. Zij/hij zorgt er
voor dat de kinderdienst een open huis is voor vreemde kinderen. Ze leert de
kinderen nieuwe kinderen welkom te heten en blij te zijn met weer een nieuw
vriendje.
6. Haar/zijn eigen
kinderen voelen zich niet opzijgezet. Het is hun gezamenlijke bediening.
7. Grove taal
gebruikt zij/hij niet en tolereert zij/hij niet.
(Een mens mag zelf
weten wat hij wil zeggen, maar jouw woorden vliegen wel in andermans oren en
blijven in andermans gedachten hangen, ook als die het niet wil. Het is verbale
agressie.) Het zijn niet ‘maar’ woorden. De materiëele dingen worden geschapen
door de gedachtewereld.
8. Ze/hij trekt één
lijn met de andere leiding. (Kinderen spelen je uit tegen andere leiders)
Probeer niet liever te zijn dan de anderen.
9. Als ze/hij alleen
is, betrekt ze een of meer van de oudste kinderen bij het werk en bidt samen
met hen voor de dienst.
10. Ziet er verzorgd
uit.
11. Geeft meer
complimentjes dan bestraffingen.
12. Geeft de kinderen
niet in alles hun zin, maar weet maat en grens aan te geven.
13. Probeert creatief
te zijn. Bidt daarvoor
14. Heeft een
verlangen om meer aan voorbereiding te doen.
15. Stimuleert
anderen ook kinderwerk te gaan doen.
16. Heeft een
natuurlijk overwicht.
17. Heeft groot
respect voor Gods woord.
18. Weet de weg der
verlossing eenvoudig aan te geven.
19. Is niet een mens
van het opgestoken vingertje, maar weet dat ze zelf ook van genade moet leven.
20 Heeft
invoelingsvermogen.