LES 24  CURSUS JOSINE DE JONG

 

EEN GOEDE KINDERWERKER IS

 

 

1. Trouw in het bezoeken van haar/zijn eigen diensten.

 

2. De kinderen merken dat ze/hij leeft met de Heer en alle dingen ook in vertrouwen op God doet.

 

3. Ze zegent de kinderen, geeft hen persoonlijke warmte.

 

4. Zij/hij bidt ook voor kinderen tijdens de dienst als ze ziek zijn of problemen hebben.

 

5. Zij/hij zorgt er voor dat de kinderdienst een open huis is voor vreemde kinderen. Ze leert de kinderen nieuwe kinderen welkom te heten en blij te zijn met weer een nieuw vriendje.

 

6. Haar/zijn eigen kinderen voelen zich niet opzijgezet. Het is hun gezamenlijke bediening.

 

7. Grove taal gebruikt zij/hij niet en tolereert zij/hij niet.

(Een mens mag zelf weten wat hij wil zeggen, maar jouw woorden vliegen wel in andermans oren en blijven in andermans gedachten hangen, ook als die het niet wil. Het is verbale agressie.) Het zijn niet ‘maar’ woorden. De materiëele dingen worden geschapen door de gedachtewereld.

 

8. Ze/hij trekt één lijn met de andere leiding. (Kinderen spelen je uit tegen andere leiders) Probeer niet liever te zijn dan de anderen.

 

9. Als ze/hij alleen is, betrekt ze een of meer van de oudste kinderen bij het werk en bidt samen met hen voor de dienst.

 

10. Ziet er verzorgd uit.

 

11. Geeft meer complimentjes dan bestraffingen.

 

12. Geeft de kinderen niet in alles hun zin, maar weet maat en grens aan te geven.

 

13. Probeert creatief te zijn. Bidt daarvoor

 

14. Heeft een verlangen om meer aan voorbereiding te doen.

 

15. Stimuleert anderen ook kinderwerk te gaan doen.

 

16. Heeft een natuurlijk overwicht.

 

17. Heeft groot respect voor Gods woord.

 

18. Weet de weg der verlossing eenvoudig aan te geven.

 

19. Is niet een mens van het opgestoken vingertje, maar weet dat ze zelf ook van genade moet leven.

 

20 Heeft invoelingsvermogen.