LES 12  CURSUS JOSINE DE JONG

 

ORGANISATIE

God is een God van orde en daarom moeten we er in het kinderwerk voor zorgen, dat alles ordelijk verloopt.

 

Inhoud van deze les:

1. Hoe organiseer ik een kinderdienst.

2. Hoe organiseer ik een goed team.

3. Hoe organiseer ik een goede ruimte.

4. Hoe berg ik mijn spullen ordelijk op.

5. Hoe organiseer ik speciale dagen, Kerst, Pasen, zendingsdag.

6. Hoe vergader ik?

7. Hoe maak ik een goed plan voor het jaar, het kwar­taal, een maand?

8. Hoe houd ik contact met voorganger en oudsten, en ouders.

9. Hoe zorg ik voor een goede geestelijke maaltijd per keer.

10. Hoe werk ik nieuwe helpers in?

11. Samenvatting.

 

1. Hoe organiseer ik een kinderdienst?

Een dienst kan bestaan uit:

*zingen,

*verhaal, met of zonder platen, dia's, video, flanel­lessen.

*werkje of spel,

*zendingsmotivatie,

*geld ophalen,

*bidden, danken, loven, prijzen,

*tekst leren,

*samen praten en naar elkaar luisteren,

*samen iets eten of drinken.

 

‑ Zorg voor rustig binnenkomen, dat scheelt de helft in de orde.

‑ Zorg voor vaste gedragsregels.

- Probeer een paar grotere kinderen te vinden die eens in de drie weken willen helpen met de kinderdienst. (bijv. plasbegeleiding) Ze worden dan gelijk opgeleid voor kinderwerker.

‑ Probeer nooit een lieve juf of meester te zijn, dan word je het vanzelf.

‑ Niet te lang vertellen. Kinderen willen graag actief zijn.

‑ Maak ook eens gebruik van cs’s, video, beamer, film.

‑ Zorg ervoor op tijd te zijn en uw materiaal klaar te leggen.

‑ Bid vooraf met een andere leiding of een kind.

‑ Zorg er zoveel mogelijk voor om een lijn in het kinderuurtje te krijgen, zodat liedjes, verhaal en werkjes op elkaar afgestemd zijn. Herhaal regelmatig die korte bood­schap.

‑ Denk eens aan beloningen, beloningskaarten e.d.

‑ Zorg voor een prettige sfeer. Niet moppe­ren!

 

2. Hoe organiseer ik een goed team?

Het is heel belangrijk, dat de hoofdleider/ster door de voorganger wordt ingezegend, zowel t.a.v de andere leiding als voor haar zelf, geeft dit een vaste grond onder de voeten. Een autoriteit, die men krijgt van God. De andere leidsters/leiders moeten biddend gekozen worden. Niet ieder die een opleiding heeft in kinderwerk is geschikt, maar wie door de Heer ervoor geroepen is, ook al heeft hij minder theoretische kennis. Vaak denken mensen: "Een onderwijzer(es) heeft ervaring met kinderen. Dat is dus een goede kinder­werker."

Dat kan waar zijn, maar het hoeft niet per se. Een onderwijzer(es) zal goed kennis kunnen overdragen, hij/zijmaar is een kundig iemand, die weet hoe orde te houden en les te geven. Maar kinderevangelisatie is een vak apart. Nederigheid, hartelijkheid, fijngevoe­ligheid, inlevingsvermogen, bijbelkennis zijn dingen die doorgegeven moeten worden als het over geloven gaat.

"Leert van mij," zegt Jezus, "dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart."

't Kan zijn dat een onderwijzeres de instelling heeft van alles wel te weten, beter dan een ander. Soms komen ze zelfs niet op een cursus, want ze weten alles al. Ze hebben alleen een pré als ook hun toewijding aan Jezus groot is. Zonder dat kan zelfs een eenvoudig mens beter geschikt zijn. (Voor de goede orde zelf ben ik ook onderwijzeres).

Kinderen hebben Gods prioriteit, dus laten we goed bedenken: Wie hiervoor in aanmerking komt heeft een belangrijke taak. Jammer genoeg is het vaak zo dat je ieder die zich aanbiedt wel moet nemen, omdat er zo weinig kandidaten zijn. Het staat echter als een paal boven water, dat als in de gemeente het belang van het kinderwerk wordt opgewaardeerd, men ook betere mensen krijgt. Nu is het nog vaak zo, dat iemand het voelt als een promotie als men van kinderwerker oudste wordt. Belachelijk. Aan prediken wordt een hogere waarde toegekend dan een verhaal vertellen voor kinderen. Terwijl het beslist zo is, dat als je het niet eenvoudig kunt vertellen, je beter je mond kunt houden.

 

Als u een team hebt, moet u samen uw plannen opstellen, waarbij de visie voor het kinderwerk van de gemeente uitgewerkt gaat worden. ’t Is net een soort grondwet, die verander je niet elk moment. Hierop mag je altijd terugvallen. Jaloersheid, streberigheid, eigenwijsheid horen niet bij de attitude van een kinderwerker. Hierdoor brengen we schade toe aan het koninkrijk van God. Bedenk dat tegenwoordig elk leiderschap wordt aangevochten. Dit is werelds en niet christelijk. Natuurlijk worden er fouten gemaakt. Maar God is er ook nog!

 

3. Hoe organiseer ik een goede ruimte?

Het strekt tot eer van God als onze ruimtes schoon en opgeruimd zijn. Kijk eens rond of er soms dingen verouderd vies en rommelig zijn. Opruimen. Zorg voor schone moderne platen. Kapotte stoelen hebben invloed op de jeugd. Ze gaan meer kapot maken.

Zorg voor een gezellige opstelling. Frontaal leert het beste, in een kring is gezelliger en legt meer de nadruk op de groep. Ook in groepjes zitten kan, vooral bij het werkje maken. Men kan ook afwisselen tijdens het lesuur. Dit vergt strakke orde. Verras de kinderen eens door hun ruimte een keer totaal te veranderen. Bij voorbeeld door een Chinese ochtend te geven, met Chinese decoraties of het lokaal te veranderen in een ruimteschip. Met ribkar­ton kun je veel doen. Het is natuurlijk vervelend als je in een gehuurd lokaal zit, maar met een beetje goede wil en fantasie kun je een hoop doen. Na afloop mag er geen lijm of kleurresten op de tafels achterblijven. Misschien kunt u wat plastic placemats maken om onder hun werk te leggen.

 

De dingen moeten ook gebruikt worden waarvoor ze zijn. Stoelen om op te zitten en niet achterstevoren. Geef zelf ook het goede voorbeeld daarin. Als het kan moeten kinderen met hun voeten op de grond komen. Het is reuze vermoeiend om op een stoel te zitten die te groot is. Als de kinderen gaan zitten draaien komt dat vaak doordat de ventilatie te wensen over laat. Kijk of u een raam kunt openen.

 

Zit u met twee groepen in één ruimte, dan kunt u proberen die ruimte te scheiden door een kast. Of door een gordijn. Als dat niet gaat is er ook nog de Westhill methode mogelijk. Dat is vertellen in groepjes maar dan zacht. Je zou de vertelling samen kunnen doen en daarna in groepjes uiteengaan. Dit is ook een goed idee voor als er weinig goede vertellers zijn. Ook is het mogelijk de grote kinderen een keer te laten vertellen/uitspelen voor de kleineren. 

 

4. Hoe berg ik mijn spullen ordelijk op?

Sorteren en ordenen, labelen, kleur gebruiken. Op de plank in de kast plakt u een kaartje met erop geschreven wat daar moet liggen. Dat vergemakkelijkt het zoeken en opber­gen. Het is aan te bevelen het materiaal op volgorde te vermelden op een lijst. die aan de deur hangt of in een schrift. Zo kan iedereen snel zien wat er is.

 

Het is allemaal nogal logisch, maar vaak blijkt dat men aan de een­voudigste zaken niet denkt. Stel iemand aan om al het materiaal te beheren. Bij het opstellen van uw lesplan kunt u al vermelden wat voor materiaal daarvoor is. Wijs er steeds op, dat men netjes met het materiaal om moet gaan, het is duur. Geen kleine dingetjes verloren laten gaan, geen ezelsoren. Steeds weer hierop wijzen is de nare taak van een hoofdleidster.

 

Lijm is geldverslindend. De kinderen moeten leren, dat een druppeltje genoeg is. Let op het afslui­ten van de potjes en het rechtop wegzetten. Klei in plastic met wat water opbergen tegen uitdro­gen.

 

Hoe weet ik wat er verleden week is verteld?

Men schrijft na afloop van de dienst even in een opschrijfboekje wat er gedaan, gebeurd is. Zo krijgt men een goed overzicht van wat er is gedaan en kan men zaken die bekend moeten zijn, doorgeven. Bijvoor­beeld als een oma gestorven is, waardoor een kind verdrie­tig is, of andere van belang zijnde mededelingen.

 

5. Hoe organiseer ik speciale dagen, Kerst, Pasen, zendingsdagen?

In overleg met de gemeenteleiding. Misschien is het een viering in de kerk, misschien besloten. Het is leuk om een toneelstukje in te studeren of een speciaal iemand te laten komen. Een eenvoudige mogelijkheid is een film te draaien. Wat de kinderen echter zelf doen, blijft in hun geheu­gen hangen. Soms moeten ze een bijbelgedeelte uit het hoofd leren, dat is mooi meegenomen.

Clowns, cowboys, indianen, politieagenten enz. zijn interessante figuren voor kinderen.

 

Een Chinese ochtend is ook leuk.

Men kan het lokaal versieren met lampionnen en paraplu's. Men kan een paar folders halen bij een reisbureau, die op een groot bord plakken en er een quiz over laten doen. Men kan in de Gemeentelijke Bibliotheek een cursus chinees lenen. Daar zitten cassettebandjes bij en je kunt hen dan wat van de taal laten horen. Men kan op de grond zitten met kussens en kleine kaarsjes en met zoute stokjes snoepjes eten en thee drinken, enz. Als men dan ook nog een verhaal vertelt uit China en de tekst met Chinese tekens aanleert, dan is de ochtend een kompleet succes.

 

Men kan ook:

een poppenspel opvoeren,

iets voor zieken maken,

pakketjes naar zendelingen sturen,

een rommelochtend houden om je oude spullen te verko­pen voor een goed doel,

in een bejaardentehuis gaan zingen,

stekjes kweken en verkopen,

een gezellig etentje organiseren.

 

6. Hoe vergader ik?

‑ Zakelijk. Vooral niet op zijpaadjes gaan, maar de hoofdlijn in de gaten houden.

‑ Houd u aan de afgesproken tijd. Dan zal iedereen weten, dat de vergadering niet uitloopt.

‑ Maak aantekeningen van wat er besproken is en geef als het kan de anderen deze uitgetypte afspraken. Denk vooral aan een actielijstje.

‑ Stel van te voren vast waarover u het wil gaan hebben en vraag dit eventueel even vooraf.

‑ Er is een gespreksleider.

‑ Als iemand afwezig is, zorg dan dat die persoon ook weet wat er besproken is.

 

Hoe vaak?

‑ Als er niets te bespreken is moet je niet vergade­ren. Nederlanders vergaderen tot ze zelf vergaderd worden.

‑ Toch kan het zijn dat je om het contact onderling te bevorderen eens in de maand samenkomt, dat is dan een

gezelligheidsavond, waarin je tussen neus en lippen over het kinderwerk spreekt.

‑ Eens in het kwartaal is minstens aan te bevelen om de nieuwe lessen te bespreken.

Dus: na de kerst, voor of na Pasen, na de vakantie, na de herfstvakantie

 

7. Hoe maak ik een goed plan voor een jaar, een kwartaal.

Het makkelijkste is als u per seizoen werkt, zoals de scholen draaien. Van kerst tot de voorjaarsvakantie. Van de voorjaarsvakantie tot Pasen enz. Dat zijn meestal 6 ŕ 7 weken.

 

‑ gewoon de bijbel rondgaan, afwisselend O.T. en N.T.

‑ een serie doen,

‑ thematisch werken. Bij voorbeeld. Kinderen uit de bijbel, Stelen, Onze schuilplaats, Het ontstaan van de bij­bel.

‑ tegengestelde personen zoals Judas en Petrus.

‑ een serie zendingsverhalen.

 

8. Hoe houd ik contact met voorgangers, oudsten en ouders?

Als het goed is zou dit contact van de gemeentelei­ding uit moeten gaan. Maar zo niet, dan kunt u eens voorstel­len iets over het kinderwerk te vertellen in de vergadering van de oudsten en de pastor. Kinderen zouden steeds een gedeelte van de dienst bij moeten wonen om het contact met de gemeente te hou­den. Ze zien dan wat de grote mensen doen.Kinderen zouden ook eens iets kunnen doen in de gemeente, bijv. zingen bij een opdrachtdienst. Wat de ouders betreft. Maak een praatje met ze, huisbezoek bij moeilijke kinderen kan helpen, organiseer eens een ouderavond of middag.

Een kind groeit niet aan een boompje. Sommige ouders zijn bekeerd, anderen onbekeerd. Sommigen werken mee, anderen tegen.

 

Het is belangrijk:

- Dat je de ouders leert kennen.

- Op huisbezoek gaan, maar praat niet negatief.

- Organiseer iets waar de ouders bij kunnen zijn.

  De ouders kunnen iets instuderen voor de kinderen en de kinderen voor de ouders.

- In overleg met de hoofdleiding de problemen oplossen.

- Nooit de kinderen tegen de ouders uitspelen.

- Blijf attent op de huissituatie, bijv. een nieuw broertje geboren.

- Bidt voor de ouders. Als het met hen goed gaat, gaat het ook met de kinderen goed.

- Gewoon alleen maar luisteren als een kind iets vertelt. Soms is het niet zo erg als het verteld wordt.

  Vaak hoef je geen oplossing aan te reiken.

 

9. Hoe zorg ik voor een goede geestelijke maaltijd per keer?

Zoals we de Schijf van Vijf kennen bij gewoon eten, zo moet in een kinderdienst ook basiszaken aan de orde komen.

Voor evangelisatiekinderen op een club:

1. Ik ben een zondaar. Rom.  5:8

2. God heeft mij lief. Joh. 3:16

3. Jezus stierf voor mij aan het kruis. Col. 2:14.

4. Ik neem Hem aan. Joh.1:12

5. Nu ben ik gered. Hand. 15:11

6. Ik ga Jezus volgen en doen wat Hij zegt.

( Denk aan het woordeloze Boek)

 

Daarenbo­ven voor kinderen van de gemeente:

1. Ik hoor bij de Gemeente.

2. Ik moet mijn ouders en de leiding van de Gemeente gehoorzamen, (mits!)

3. Wij zijn anders dan de ongelovigen om ons heen. Wij zijn Koningskinderen.

4. Wij doen zoals in de bijbel staat.

5. Wij hebben een mooie toekomst.

6. Wij zijn visitekaartjes voor Jezus en willen door ons leven anderen voor Hem winnen.

 

Problemen van gelovige kinderen:

‑ Ze worden op school vaak uitgelachen

‑ Ze kunnen denken: "Mijn vriendjes zijn gewoon en ik zou ook liever gewoon willen zijn."

‑ Het kan ook zijn dat ze zich hoger (of beter) voelen dan andere kinderen, dat ze zich afzonderen. Met die of die ga ik niet om, dat is een slecht kind!

‑ Soms zijn pinksterkinderen ongeordend, druk en ongehoorzaam. Er is immers zoveel vrijheid en creativiteit.

Ten on­rechte zien ze liefde voor zwak­heid aan en vrijheid voor on­gebon­denheid.

 

Wat kunnen we voor hen doen?

‑ Duidelijke strakke regels.

‑ Duidelijke uitspraken.

‑ Lectuur aanbieden over de zaken die hen interesseren.

‑ Hen erop wijzen dat zij een keuze moeten maken, het geloof is geen erfgoed. Hebben ze een relatie met de Heer Jezus? Brengen ze wel eens een offer voor Hem? Kunnen ze in Gods autoriteit staan?

 

10. Hoe werk ik nieuwe helpers in?

Het ligt er aan of ze ervaring hebben of niet. Zo niet dan eerst laten luisteren en meehelpen. Vertel hem of haar de regels. Bemoedig en geef weinig kritiek. Het goede aanmoedi­gen en het minder goede negeren. Soms is het goed om iemand meteen in het diepe te gooien. Als je er alleen voor staat leer je het meeste.

 

Vertellen kun je echt leren, maar net als met andere zaken, zoals tekenen, schrijven, schilderen, rekenen, moet je het vaker doen. Als we erg moeilijk gaan doen over hoe te vertellen laten sommigen de moed zak­ken. Ze denken: "O, nou moet ik eerst de bijbel lezen, dan de concordantie gebruiken, een atlas opzoeken en... o, het is teveel! Ik doe het maar niet!"

Terwijl toch bijna iedere vrouw of man wel een gezel­lige babbel over gewone dingen kan maken! Maak het dus niet te moeilijk. Al vertellend gaat men vanzelf op zoek naar meer informatie. Het geeft niks als je het fout doet, al doende leert men. Vertellen is niet iets bijzonders, het is gewoon. Als je iets KORT in drie of vier zinnen kunt vertellen, kun je het ook uitbreiden.

 

De wet van de Traagheid.

Iedereen kiest het liefst de gemakkelijkste weg. Als je moeite moet doen voor een les met platen, zul je het liever zonder doen.

Als men teveel inzet moet geven zal men er gauwer mee stoppen. Het beste is dus iedereen vertrouwd te maken met het materiaal.

 

ll. Samenvatting:

Een goede organisatie kan men vergelijken met de stevige balken van het huis, waarbinnen gezelligheid en warme liefde kunnen functioneren.