ORGANISATIE
God is een God van orde en
daarom moeten we er in het kinderwerk voor zorgen, dat alles ordelijk verloopt.
Inhoud van deze les:
1. Hoe
organiseer ik een kinderdienst.
2. Hoe organiseer ik een goed
team.
3. Hoe organiseer ik een goede
ruimte.
4. Hoe berg ik mijn spullen
ordelijk op.
5. Hoe organiseer ik speciale
dagen, Kerst, Pasen, zendingsdag.
6. Hoe vergader ik?
7. Hoe maak ik een goed plan
voor het jaar, het kwartaal, een maand?
8. Hoe houd ik contact met
voorganger en oudsten, en ouders.
9. Hoe zorg ik voor een goede
geestelijke maaltijd per keer.
10. Hoe werk ik nieuwe helpers
in?
11. Samenvatting.
1. Hoe organiseer ik een kinderdienst?
Een dienst kan bestaan uit:
*zingen,
*verhaal, met of zonder platen,
dia's, video, flanellessen.
*werkje of spel,
*zendingsmotivatie,
*geld ophalen,
*bidden, danken, loven,
prijzen,
*tekst leren,
*samen praten en naar elkaar
luisteren,
*samen iets eten of drinken.
‑ Zorg voor rustig
binnenkomen, dat scheelt de helft in de orde.
‑ Zorg voor vaste
gedragsregels.
- Probeer een paar grotere
kinderen te vinden die eens in de drie weken willen helpen met de kinderdienst.
(bijv. plasbegeleiding) Ze worden dan gelijk opgeleid voor kinderwerker.
‑ Probeer nooit een lieve
juf of meester te zijn, dan word je het vanzelf.
‑ Niet te lang vertellen.
Kinderen willen graag actief zijn.
‑ Maak ook eens gebruik
van cs’s, video, beamer, film.
‑ Zorg ervoor op tijd te
zijn en uw materiaal klaar te leggen.
‑ Bid vooraf met een
andere leiding of een kind.
‑ Zorg er zoveel mogelijk
voor om een lijn in het kinderuurtje te krijgen, zodat liedjes, verhaal en
werkjes op elkaar afgestemd zijn. Herhaal regelmatig die korte boodschap.
‑ Denk eens aan
beloningen, beloningskaarten e.d.
‑ Zorg voor een prettige
sfeer. Niet mopperen!
2. Hoe organiseer ik een goed team?
Het is heel belangrijk, dat de
hoofdleider/ster door de voorganger wordt ingezegend, zowel t.a.v de andere
leiding als voor haar zelf, geeft dit een vaste grond onder de voeten. Een
autoriteit, die men krijgt van God. De andere leidsters/leiders moeten biddend
gekozen worden. Niet ieder die een opleiding heeft in kinderwerk is geschikt,
maar wie door de Heer ervoor geroepen is, ook al heeft hij minder theoretische kennis.
Vaak denken mensen: "Een onderwijzer(es) heeft ervaring met kinderen. Dat
is dus een goede kinderwerker."
Dat kan waar zijn, maar het
hoeft niet per se. Een onderwijzer(es) zal goed kennis kunnen overdragen,
hij/zijmaar is een kundig iemand, die weet hoe orde te houden en les te geven.
Maar kinderevangelisatie is een vak apart. Nederigheid, hartelijkheid,
fijngevoeligheid, inlevingsvermogen, bijbelkennis zijn dingen die doorgegeven
moeten worden als het over geloven gaat.
"Leert van mij," zegt
Jezus, "dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart."
't Kan zijn dat een
onderwijzeres de instelling heeft van alles wel te weten, beter dan een ander.
Soms komen ze zelfs niet op een cursus, want ze weten alles al. Ze hebben
alleen een pré als ook hun toewijding aan Jezus groot is. Zonder dat kan zelfs
een eenvoudig mens beter geschikt zijn. (Voor de goede orde zelf ben ik ook
onderwijzeres).
Kinderen hebben
Gods prioriteit, dus laten we goed bedenken: Wie hiervoor in aanmerking komt
heeft een belangrijke taak. Jammer genoeg is het vaak zo dat je ieder die zich
aanbiedt wel moet nemen, omdat er zo weinig kandidaten zijn. Het staat echter
als een paal boven water, dat als in de gemeente het belang van het kinderwerk
wordt opgewaardeerd, men ook betere mensen krijgt. Nu is het nog vaak zo, dat
iemand het voelt als een promotie als men van kinderwerker oudste wordt.
Belachelijk. Aan prediken wordt een hogere waarde toegekend dan een verhaal
vertellen voor kinderen. Terwijl het beslist zo is, dat als je het niet eenvoudig
kunt vertellen, je beter je mond kunt houden.
Als u een team hebt, moet u
samen uw plannen opstellen, waarbij de visie voor het kinderwerk van de
gemeente uitgewerkt gaat worden. ’t Is net een soort grondwet, die verander je
niet elk moment. Hierop mag je altijd terugvallen. Jaloersheid, streberigheid,
eigenwijsheid horen niet bij de attitude van een kinderwerker. Hierdoor brengen
we schade toe aan het koninkrijk van God. Bedenk dat tegenwoordig elk
leiderschap wordt aangevochten. Dit is werelds en niet christelijk. Natuurlijk
worden er fouten gemaakt. Maar God is er ook nog!
3. Hoe organiseer ik een goede ruimte?
Het strekt tot eer van God als
onze ruimtes schoon en opgeruimd zijn. Kijk eens rond of er soms dingen
verouderd vies en rommelig zijn. Opruimen. Zorg voor schone moderne platen.
Kapotte stoelen hebben invloed op de jeugd. Ze gaan meer kapot maken.
Zorg voor een gezellige
opstelling. Frontaal leert het beste, in een kring is gezelliger en legt meer
de nadruk op de groep. Ook in groepjes zitten kan, vooral bij het werkje maken.
Men kan ook afwisselen tijdens het lesuur. Dit vergt strakke orde. Verras de
kinderen eens door hun ruimte een keer totaal te veranderen. Bij voorbeeld door
een Chinese ochtend te geven, met Chinese decoraties of het lokaal te
veranderen in een ruimteschip. Met ribkarton kun je veel doen. Het is
natuurlijk vervelend als je in een gehuurd lokaal zit, maar met een beetje
goede wil en fantasie kun je een hoop doen. Na afloop mag er geen lijm of
kleurresten op de tafels achterblijven. Misschien kunt u wat plastic placemats
maken om onder hun werk te leggen.
De dingen moeten ook gebruikt
worden waarvoor ze zijn. Stoelen om op te zitten en niet achterstevoren. Geef
zelf ook het goede voorbeeld daarin. Als het kan moeten kinderen met hun voeten
op de grond komen. Het is reuze vermoeiend om op een stoel te zitten die te
groot is. Als de kinderen gaan zitten draaien komt dat vaak doordat de
ventilatie te wensen over laat. Kijk of u een raam kunt openen.
Zit u met twee groepen in één
ruimte, dan kunt u proberen die ruimte te scheiden door een kast. Of door een
gordijn. Als dat niet gaat is er ook nog de Westhill methode mogelijk. Dat is
vertellen in groepjes maar dan zacht. Je zou de vertelling samen kunnen doen en
daarna in groepjes uiteengaan. Dit is ook een goed idee voor als er weinig
goede vertellers zijn. Ook is het mogelijk de grote kinderen een keer te laten
vertellen/uitspelen voor de kleineren.
4. Hoe berg ik mijn spullen ordelijk op?
Sorteren en ordenen, labelen,
kleur gebruiken. Op de plank in de kast plakt u een kaartje met erop geschreven
wat daar moet liggen. Dat vergemakkelijkt het zoeken en opbergen. Het is aan
te bevelen het materiaal op volgorde te vermelden op een lijst. die aan de deur
hangt of in een schrift. Zo kan iedereen snel zien wat er is.
Het is allemaal nogal logisch,
maar vaak blijkt dat men aan de eenvoudigste zaken niet denkt. Stel iemand aan
om al het materiaal te beheren. Bij het opstellen van uw lesplan kunt u al vermelden
wat voor materiaal daarvoor is. Wijs er steeds op, dat men netjes met het
materiaal om moet gaan, het is duur. Geen kleine dingetjes verloren laten gaan,
geen ezelsoren. Steeds weer hierop wijzen is de nare taak van een
hoofdleidster.
Lijm is geldverslindend. De
kinderen moeten leren, dat een druppeltje genoeg is. Let op het afsluiten van
de potjes en het rechtop wegzetten. Klei in plastic met wat water opbergen
tegen uitdrogen.
Hoe weet ik wat er verleden
week is verteld?
Men schrijft na afloop van de
dienst even in een opschrijfboekje wat er gedaan, gebeurd is. Zo krijgt men een
goed overzicht van wat er is gedaan en kan men zaken die bekend moeten zijn,
doorgeven. Bijvoorbeeld als een oma gestorven is, waardoor een kind verdrietig
is, of andere van belang zijnde mededelingen.
5. Hoe organiseer
ik speciale dagen, Kerst, Pasen, zendingsdagen?
In overleg met de
gemeenteleiding. Misschien is het een viering in de kerk, misschien besloten.
Het is leuk om een toneelstukje in te studeren of een speciaal iemand te laten
komen. Een eenvoudige mogelijkheid is een film te draaien. Wat de kinderen
echter zelf doen, blijft in hun geheugen hangen. Soms moeten ze een
bijbelgedeelte uit het hoofd leren, dat is mooi meegenomen.
Clowns, cowboys, indianen,
politieagenten enz. zijn interessante figuren voor kinderen.
Een Chinese ochtend is ook
leuk.
Men kan het lokaal versieren
met lampionnen en paraplu's. Men kan een paar folders halen bij een reisbureau,
die op een groot bord plakken en er een quiz over laten doen. Men kan in de
Gemeentelijke Bibliotheek een cursus chinees lenen. Daar zitten cassettebandjes
bij en je kunt hen dan wat van de taal laten horen. Men kan op de grond zitten
met kussens en kleine kaarsjes en met zoute stokjes snoepjes eten en thee drinken,
enz. Als men dan ook nog een verhaal vertelt uit China en de tekst met Chinese
tekens aanleert, dan is de ochtend een kompleet succes.
Men kan ook:
een poppenspel opvoeren,
iets voor zieken maken,
pakketjes naar zendelingen
sturen,
een rommelochtend houden om je
oude spullen te verkopen voor een goed doel,
in een bejaardentehuis gaan
zingen,
stekjes kweken en verkopen,
een gezellig etentje
organiseren.
6. Hoe vergader
ik?
‑ Zakelijk. Vooral niet op
zijpaadjes gaan, maar de hoofdlijn in de gaten houden.
‑ Houd u aan de
afgesproken tijd. Dan zal iedereen weten, dat de vergadering niet uitloopt.
‑ Maak aantekeningen van
wat er besproken is en geef als het kan de anderen deze uitgetypte afspraken.
Denk vooral aan een actielijstje.
‑ Stel van te voren vast
waarover u het wil gaan hebben en vraag dit eventueel even vooraf.
‑ Er is een
gespreksleider.
‑ Als iemand afwezig is,
zorg dan dat die persoon ook weet wat er besproken is.
Hoe vaak?
‑ Als er niets te
bespreken is moet je niet vergaderen. Nederlanders vergaderen tot ze zelf
vergaderd worden.
‑ Toch kan het zijn dat
je om het contact onderling te bevorderen eens in de maand samenkomt, dat is
dan een
gezelligheidsavond, waarin je
tussen neus en lippen over het kinderwerk spreekt.
‑ Eens in het kwartaal is
minstens aan te bevelen om de nieuwe lessen te bespreken.
Dus: na de kerst, voor of na
Pasen, na de vakantie, na de herfstvakantie
7. Hoe maak ik
een goed plan voor een jaar, een kwartaal.
Het makkelijkste is als u per
seizoen werkt, zoals de scholen draaien. Van kerst tot de voorjaarsvakantie.
Van de voorjaarsvakantie tot Pasen enz. Dat zijn meestal 6 ŕ 7 weken.
‑ gewoon de bijbel
rondgaan, afwisselend O.T. en N.T.
‑ een serie doen,
‑ thematisch werken. Bij
voorbeeld. Kinderen uit de bijbel, Stelen, Onze schuilplaats, Het ontstaan van
de bijbel.
‑ tegengestelde personen
zoals Judas en Petrus.
‑ een serie
zendingsverhalen.
8. Hoe houd ik contact met voorgangers, oudsten en ouders?
Als het goed is zou dit contact
van de gemeenteleiding uit moeten gaan. Maar zo niet, dan kunt u eens voorstellen
iets over het kinderwerk te vertellen in de vergadering van de oudsten en de
pastor. Kinderen zouden steeds een gedeelte van de dienst bij moeten wonen om
het contact met de gemeente te houden. Ze zien dan wat de grote mensen
doen.Kinderen zouden ook eens iets kunnen doen in de gemeente, bijv. zingen bij
een opdrachtdienst. Wat de ouders betreft. Maak een praatje met ze, huisbezoek
bij moeilijke kinderen kan helpen, organiseer eens een ouderavond of middag.
Een kind groeit niet aan een
boompje. Sommige ouders zijn bekeerd, anderen onbekeerd. Sommigen werken mee,
anderen tegen.
Het is belangrijk:
- Dat je de ouders leert
kennen.
- Op huisbezoek gaan, maar praat
niet negatief.
- Organiseer iets waar de
ouders bij kunnen zijn.
De ouders kunnen iets instuderen voor de kinderen en de kinderen
voor de ouders.
- In overleg met de
hoofdleiding de problemen oplossen.
- Nooit de kinderen tegen de
ouders uitspelen.
- Blijf attent op de
huissituatie, bijv. een nieuw broertje geboren.
- Bidt voor de ouders. Als het
met hen goed gaat, gaat het ook met de kinderen goed.
- Gewoon alleen maar luisteren
als een kind iets vertelt. Soms is het niet zo erg als het verteld wordt.
Vaak hoef je geen oplossing aan te reiken.
9. Hoe zorg ik
voor een goede geestelijke maaltijd per keer?
Zoals we de Schijf van Vijf
kennen bij gewoon eten, zo moet in een kinderdienst ook basiszaken aan de orde
komen.
Voor evangelisatiekinderen op een
club:
1. Ik ben een zondaar.
Rom. 5:8
2. God heeft mij lief. Joh.
3:16
3. Jezus stierf voor mij aan
het kruis. Col. 2:14.
4. Ik neem Hem aan. Joh.1:12
5. Nu ben ik gered. Hand. 15:11
6. Ik ga Jezus volgen en doen
wat Hij zegt.
( Denk aan het woordeloze Boek)
Daarenboven voor kinderen van
de gemeente:
1. Ik hoor bij de Gemeente.
2. Ik moet mijn ouders en de
leiding van de Gemeente gehoorzamen, (mits!)
3. Wij zijn anders dan de
ongelovigen om ons heen. Wij zijn Koningskinderen.
4. Wij doen zoals in de bijbel
staat.
5. Wij hebben een mooie
toekomst.
6. Wij zijn visitekaartjes voor
Jezus en willen door ons leven anderen voor Hem winnen.
Problemen van gelovige
kinderen:
‑ Ze worden op school
vaak uitgelachen
‑ Ze kunnen denken:
"Mijn vriendjes zijn gewoon en ik zou ook liever gewoon willen zijn."
‑ Het kan ook zijn dat ze
zich hoger (of beter) voelen dan andere kinderen, dat ze zich afzonderen. Met
die of die ga ik niet om, dat is een slecht kind!
‑ Soms zijn
pinksterkinderen ongeordend, druk en ongehoorzaam. Er is immers zoveel vrijheid
en creativiteit.
Ten onrechte zien ze liefde
voor zwakheid aan en vrijheid voor ongebondenheid.
Wat kunnen we voor hen doen?
‑ Duidelijke strakke
regels.
‑ Duidelijke uitspraken.
‑ Lectuur aanbieden over
de zaken die hen interesseren.
‑ Hen erop wijzen dat zij
een keuze moeten maken, het geloof is geen erfgoed. Hebben ze een relatie met
de Heer Jezus? Brengen ze wel eens een offer voor Hem? Kunnen ze in Gods
autoriteit staan?
10. Hoe werk ik nieuwe
helpers in?
Het ligt er aan of ze ervaring
hebben of niet. Zo niet dan eerst laten luisteren en meehelpen. Vertel hem of
haar de regels. Bemoedig en geef weinig kritiek. Het goede aanmoedigen en het
minder goede negeren. Soms is het goed om iemand meteen in het diepe te gooien.
Als je er alleen voor staat leer je het meeste.
Vertellen kun je echt leren,
maar net als met andere zaken, zoals tekenen, schrijven, schilderen, rekenen,
moet je het vaker doen. Als we erg moeilijk gaan doen over hoe te vertellen
laten sommigen de moed zakken. Ze denken: "O, nou moet ik eerst de bijbel
lezen, dan de concordantie gebruiken, een atlas opzoeken en... o, het is
teveel! Ik doe het maar niet!"
Terwijl toch bijna iedere vrouw
of man wel een gezellige babbel over gewone dingen kan maken! Maak het dus
niet te moeilijk. Al vertellend gaat men vanzelf op zoek naar meer informatie.
Het geeft niks als je het fout doet, al doende leert men. Vertellen is niet
iets bijzonders, het is gewoon. Als je iets KORT in drie of vier zinnen kunt
vertellen, kun je het ook uitbreiden.
De wet van de Traagheid.
Iedereen kiest het liefst de
gemakkelijkste weg. Als je moeite moet doen voor een les met platen, zul je het
liever zonder doen.
Als men teveel inzet moet geven
zal men er gauwer mee stoppen. Het beste is dus iedereen vertrouwd te maken met
het materiaal.
ll. Samenvatting:
Een goede organisatie kan men
vergelijken met de stevige balken van het huis, waarbinnen gezelligheid en
warme liefde kunnen functioneren.