LES 11 CURSUS JOSINE DE JONG
CREATIEF VERTELLEN
Inhoud:
1. Wat is creatief vertellen?
2. Clownsstukjes:
- 1. Clown met muis in zijn zak.
- 2. Clowntje doet niet open.
- 3. Clowntje vergeeft grote schuld.
- 4. Clowntje wil zijn speelgoed niet delen.
- 5. Mime, twee clowntjes en een appel.
- 6. Clown laat duur ei kapot vallen.
- 7. De vlek is weg.
- 8. Verwachting. (Clown, handpop en poppenkastpop)
- 9. De koningin komt.
- l0. De bloem die kan knakken.
- 11. Clown weet niet wat vruchtjes zijn.
- 12. Clowntje moet kiezen.
- 13. Ideeën voor een clown.
- 14. Het kaarsje dat niet wilde branden.
- 15. Liegbeestjes vangen.
3. Liedje voor een clown.
4. Stukjes voor een poppenkastpop.
- 1. Mijn bloemen.
- 2. Leeftijdsfasen.
- 3. Je mag niet vechten.
5. Ideeën en stukjes voor een handpop.
- 1. Tien kleine kinderen.
- 2. Blackie gaat trouwen.
- 3. Het hondje Silly.
- 4. Silly en de schoonheidswedstrijd.
- 5. Silly heeft gedroomd.
- 6. Iemand betaalde voor mij.
6. Vertellen met meedoen voor kleuters.
- 1. Vertellen tijdens het uitspelen.
- 2. Paasvertelling voor kleuters.
- 3. De vrede.
- 4. Vruchtjes dragen.
7. Trucje.
- Pingpongballen.
- Nood leert bidden.
1. Wat is creatief vertellen?
Creatief vertellen is: de bijbelse boodschap op een creatieve, manier
overbrengen, gebruikmakend van bewegingen, dansjes, spel, geluiden,
clownsspel, hand‑ en of poppenkastpoppen, meedoen met je verhaal,
toneelspel, hetzij van alle kinderen, of een paar, of van een volwassene. Ook
goocheltrucjes, mime en objecten vallen eronder. Het is vooral geschikt voor
jongere kinderen.
Creativiteit vergt veel energie, maar het beloont zichzelf. Hoe meer u
een beroep doet op uw creativiteit, (van God gegeven!!) hoe meer de ideeën
zich vermeerderen. Vergeet niet een leuk idee op te schrijven. Zo krijgt u uw
eigen repertoire.
2. Een paar clownsstukjes.
1. Clown met muis in zijn zak.
Doel: Om te leren wat "zorgen voor" inhoudt. God zorgt voor
ons. Benodigdheden: een muis, of klein beestje.
Clown is leuk, maar erg dom. Hij heeft een muis in zijn zak. Daar
speelt hij mee. Hij vertelt dat hij op die muis moet passen en hem beschermen,
maar hij weet niet wat dat is. Hij tilt hem aan zijn staart uit z'n zak. De
muis spartelt. Hij laat hem vallen en moet hem weer opzoeken. Zo doe je dat
toch niet, hè kinderen? Wat geef je hem te eten? Geef je hem liefde? Hoe heet
hij? Heeft hij een hokje? De clown weet niet wat beschermen is. Dat moeten de
kinderen hem leren. Terloops vertelt de leidster dat God ook zo goed voor ons
zorgt. Het einde is dat de clown wegloopt met in zijn twee beschuttende handen
heel voorzichtig de muis.
2. Clowntje doet niet open.
Doel: Als voorbeeld dat we ons hart voor Jezus moeten openzetten.
Openb. 3:16.
Benodigdheden: taartje, slingers, toeter, feestmuts, vlag of cadeau.
Er zit een clown zich te vervelen op een stoel. Hij kijkt treurig en is
erg nukkig. Er komt een andere clown (persoon) op. Hij tikt op een onzichtbare
deur. Eerste clown doet niet open. Verveelt zich nog steeds en is in een slecht
humeur. De vrolijke clown gaat weg en komt met een taartje terug.
Clown 1 doet niet open. Met slingers idem, met een toeter, met een
feestmuts of een grote vlag, met een cadeau... De boze clown doet niet open.
Vrolijke clown gaat zitten nadenken. Hij vraagt aan de kinderen of ze willen
zingen: "Zie ik sta aan de deur en Ik klop." Boze clown doet net of
hij het een heel klein beetje hoort. Kinderen zingen harder. Dan snapt hij het.
Hij verheugt zich erin dat zijn vriendje komt en opent de deur. Ze vallen
elkaar in de armen en gaan feestvieren. De kinderen zingen het liedje nog
eens.
3. Clowntje vergeeft een grote
schuld.
Doel: Om een basis te leggen voor de schuldvergeving van de Heer Jezus
aan ons.
Benodigdheden: wc rol, of kassarol, al of niet beschreven, papieren
gevangenis (een a-4tje met strepen) en papieren handboeien, evt. een
politiepet, of jasje.
Clown komt op al zingend: Lalala, o, straks ben ik rijk!
- Hoho! Waarom ben jij zo blij?
Straks ben ik rijk.
- Waarom straks en niet nu?
Omdat ik m'n centjes nog moet krijgen.
- Van wie dan?
Van jou!
- Krijg jij dan geld van mij?
Nou en of, wat een bof!
- Heb ik dan geld geleend van jou?
Ja, eh... nee. Dat niet. Ik heb werk gedaan voor jou. Kijk maar, ik heb
het allemaal opgeschreven. Tien gulden omdat ik hier optreed, tien gulden omdat
ik koffie voor je heb gehaald. Tien gulden omdat ik mijn bed heb opgemaakt.
- Ho, wacht eens. Het is toch je eigen bed?
Ja, maar anders had jij het moeten doen, hè kinderen?
- Nee, hoor! Je moet zelf je eigen bed opmaken.
En vijftien gulden omdat ik aardappelen heb geschild en vijf gulden
voor het oppompen van je band en alles bij elkaar... (trekt een heel eind van
de kassarol af): tweeduizend honderd gulden.
- Oeioeioei! Dat kan ik niet betalen. Het waren toch ook jouw aardappelen die je schilde?
O, wat erg. Ze moet betalen, hè kinderen? Anders haal ik de politie
erbij.
- Politie? Maar er is hier toch geen politie?
Welles!
- Nietes.
Kijk dan eens wat ik in deze zak heb: een politiejasje en een
politiepet.
- Ja, maar dan heb je toch nog geen politie? Of istie soms onzichtbaar? Ik betaal niet aan een onzichtbare politieman, hoor! Ik betaal helemaal niet zo'n groot bedrag.
Die politieman is niet onzichtbaar. Let maar op. Kinderen, wie van
jullie wil me even helpen? Dan mag jij de pet op en het jasje aan. Zie je wel,
nou is er een politie. Betaal je nu wel?
- Nee, nog niet.
Politie, die mevrouw moet tweeduizend honderd gulden betalen en ze wil
niet. Kunt u ze niet even arresteren? Hier zijn handboeien.
- Handboeien? O, ik wil niet in de handboeien. Dat doet zo'n zeer!
Dan moet je maar betalen! Eigen schuld, dikke bult. Hier heb je een
gevangenis, agent. (Geeft papieren raampje.) Laat die mevrouw er maar in gaan
zitten.
- O help, ik zit in de gevangenis. Wie haalt me
eruit? Wie betaalt mijn grote schuld? Ik heb geen geld? - Genade alstublieft!
Nee, betalen. Dat is eerlijk, hè kinderen? Nee? Is dat niet eerlijk?
Moet ik haar vrij laten? En ik krijg toch echt geld van haar...
Nou, ik zal nog eens kijken. Vooruit, die koffie heb ik wel voor niks
gehaald en mijn eigen bed opmaken, dat hoeft ze ook niet te betalen. (Scheurt
steeds een stuk van de rekening af.)
- Help! Ik wil eruit! O, maar wacht eens: jij moet mij er wel uitlaten, want in de gevangenis kan ik geen pannenkoeken voor je bakken.
Nee? Echt niet?
- Nee, echt niet! En je hebt dat liedje toch wel geleerd? Tot zeven
maal zeventig maal vergeef ik een ander zijn schuld. De kinderen kunnen het ook
zingen, hè kinderen?
Ja.
Kun je echt geen pannenkoeken bakken?
- Nee.
Nou, vooruit. Ik zal alles maar vergeven. Agent, haal haar maar uit de gevangenis.
Alles is vergeven. (stampt het papier plat op de grond.) (Zingt: Alles is
vergeven, lang zal ik leven, lang zal ik leven in de gloria.) (Af, terwijl hij
snoepjes strooit.)
4. Clowntje wil zijn speelgoed
niet delen.
Doel: Om te leren dat vriendjes alles
delen.
Nodig: Vier kinderen, potloden, ballonnen en
wat lekkers.
Clowntje vertelt heel blij, dat hij een mooi huisje heeft met leuke
dingen. Hij heeft ballonnen, kleurtjes en een taart. Maar hij mist wat. Een
vriendje. Er klopt een vriendje aan.
- Mag ik bij je binnenspelen?
Ja, het mag.
- Mag ik met je ballonnen spelen?
Nee.
- Mag ik met je potloden kleuren?
Nee.
- Mag ik van je taartje eten?
Nee.
-Dan wil ik ook je vriendje niet zijn.
Clowntje huilt. Een tweede kindje belt aan.
Idem dito. Een derde kindje ook.
Dan zegt de leidster: Als jij vriendjes wil hebben, moet je delen.
Dan komt er weer een kindje. Dit keer laat het clowntje haar wel met
alles spelen. Samen smullen ze van het taartje.
5. Mime. Twee clowns en een
appel.
Doel: Leren delen.
Benodigdheden: Appel, twee stoelen.
Clowntjes komen op. Begroeten elkaar door handen te willen schudden. Ze lopen echter steeds langs elkaars handen heen. Als ze kopje kunnen duikelen doen ze nog een beetje gekker. Dan ontdekken ze de appel. Het ene clowntje gaat hem pakken. Hij gebaart dat die van hem is. De andere gaat zitten huilen. Hij gebaart dat hij ook een appel wil. De eerste legt hem terug en gebaart dat ze op een afstandje gaan staan. Wie hem het eerste pakt heeft hem. Dat doen ze. Er blijft weer een huilend clowntje over. Ze leggen hem weer neer en gaan zitten denken met de ruggen naar elkaar toe. Dan krijgt er één een idee. Ze kunnen de appel in de prullenbak gooien. Maar nee, dan huilen ze alle twee. Weer denken ze na. Eindelijk krijgt er een het idee om met een mesje de appel door te snijden. Samen smullen ze van de appel en de kinderen zingen: "Kijk eens om je heen..." van Hanna Lam en Wim ter Burg.
6. Clown laat duur ei kapot
vallen.
Doel: De kinderen te laten begrijpen, dat een
ander moet betalen voor de zonden die zij doen.
Tekst: Op. 5: 9. U hebt hen voor God gekocht
met Uw bloed.
Benodigdheden: Twee identieke mooi gekleurde
eieren.
Spelers: twee clowns of een leidster en een
clown. Een kind.
Clown moet steeds niezen. Als je met twee clowns werkt, kun je dit even
uitspelen. De ene clown houdt zijn vinger voor de andere clown zijn neus als
hij "Aaaaa..." zegt en zegt dan zelf: "tjoe!"
Even herhalen.
Clown twee heeft een heel mooie bloem. Hij praat er even over hoe mooi
hij wel is en hoe zeldzaam. Hoe lekker hij ruikt. Hij geeft hem een exotische
naam. Ieder die aan deze bloem ruikt wordt heel blij. Wil clown één hem wel
hebben? Jaaa! Die ruikt eraan en hatsjoe! Hij niest hem kapot. Clown twee is
erg bedroefd maar hij heeft nog iets kostbaars. Een handbeschilderd ei uit
Rusland. Hij toont hem aan het publiek en vertelt dat hij wel
miljoendriehonderd kost. Clown twee moet even weg en clown één belooft het ei
heel voorzichtig vast te houden tot hij terugkomt. Hij gaat er mee jongleren en
het ei valt kapot. Dan is Leiden in last. Clown één gaat erg zitten huilen.
Hij legt uit waarom het zo erg is dat het ei kapot viel. Wat erg dat hij zo dom
was. Dan is er een kind dat de huilende clown troost en hem het nieuwe ei
geeft.
"Hoe kom je eraan?" vraagt clown één.
"Gekocht van mijn eigen snoepgeld," antwoordt het kind.
Dan is clown één blij. Jij blijft voor altijd mijn vriendje zegt hij.
Als clown twee terugkomt wordt het spannend. Er moet opgebiecht worden en het
tweede ei wordt getoond. Met z'n drieën doen ze een rondedansje.
Als wij zonden doen, wie moet er dan voor betalen?
Hoe heeft de Heer Jezus dat gedaan?
7. De vlek is weg.
Doel: De kinderen er bij te bepalen dat de
Heer Jezus zonden wegneemt. Tekst: Jes. 1:18.
Te spelen met twee clowns of met een leidster en een clown.
Benodigdheden: een kartonnen schuifdoosje, waarvan
de bovenkant schuift in het onderste gedeelte. Dit is nodig om iets te
verbergen. Bijv. een doosje waarin diskettes zitten voor de computer. Beplak
het en teken er aan beide zijden de voorkant van een wasmachine op. Verder twee
eendere dunne sjaaltjes. Een van die sjaaltjes beklieder je met een grote
zwarte vlek. Een bijzonder grote, evt. kartonnen, kam. Een viltstift.
Voorbereiding: Stop een van de sjaaltjes in het
deksel. Het andere sjaaltje steekt uit de zak van een van de clowns. Hierop zit
een grote vlek, die je (nog) niet laat zien.
Hallo, zegt de ene clown tegen de andere, ik moet je wat laten zien.
Hij toont zijn sjaaltje (zonder de vlek te laten zien) en vertelt hoe mooi en
kostbaar het wel is.
De ander heeft ook iets. Hij doet zijn handen als een kommetje samen
en zegt: Ik heb wat voor jou.
Wat dan?
Een héél klein geluidje.
Zachtjes fluistert hij: "Kom maar hier, dan kan je het zien."
Als de tweede clown dichterbij komt, geeft nummer één een harde
schreeuw.
Tweede clown huilt. Hij pakt de kam en gaat zijn haar kammen.
"Die kam is van mij," gilt de ander.
Ze maken ruzie om de grote kam. Clown nr.1 wil zijn naam erop zetten
met de viltstift. Hij struikelt zogenaamd en maakt een vlek op het sjaaltje van
de andere clown. Die begint vreselijk te huilen (Extraatje: Hij heeft een heel
grote zakdoek bij zich om zijn tranen af te vegen.)
"Stil maar," zegt de eerste. "We zullen wel een liedje voor
je zingen" ... Het helpt niet. Dan weet hij wel een oplossing. Hij heeft
een miniwasmachinetje. Hij stopt het sjaaltje met de vlek in de wasmachine (de
onderkant van het doosje.) Schudt en schudt. De kinderen mogen meedoen met
bibberen en haalt dan het schone sjaaltje uit de bovenkant van de doos, waar
het verborgen zat. (Het vuile sjaaltje zit nog steeds in de onderkant.)
Clowntje twee is blij en maakt een dansje. Zingend gaan ze af. Waar
doet jullie dat aan denken? Heeft de Heer Jezus ook zo'n wasmachientje? Waar
wast Hij onze zonden mee af?
8. Verwachting.
Doel: De kinderen te leren begrijpen dat
men heel lang op de komst van de Heer Jezus heeft gewacht. Velen dachten dat
Hij niet bestond of niet zou komen. Zo ook met de Wederkomst.
Spelers: Twee clowns of een leidster met een
clown. Een poppenkastpop (brutaal) een handpop, bijv. een brutale kraai, een
kind.
Benodigdheden: een brief, een telefoon, een grote
zakdoek, feestartikelen, een pan, wat ongeschilde aardappelen en een pollepel,
een groot papieren horloge, snoepjes voor alle
kinderen.
Polly komt op.
Hij ziet een overdreven grote brief liggen. Leest voor.
Beste Polly, ik kom eraan, maak vast lekker eten voor mij klaar.
Polly is blij. Hij vertelt de kinderen dat Holly zijn beste vriend is. Hij maakt eten
klaar. Wil vieze dingen klaarmaken, maar de kinderen weerhouden hem ervan. Hij
kijkt op zijn horloge. Het duurt erg lang. De kraai komt op.
Waar wacht jij op?
- Op
Holly.
Holly? Wat een gekke naam. Nou, ik zal je één ding zeggen. Iemand met zo'n
gekke naam bestaat er niet op de hele wereld. Hij komt dus niet.
Polly: Ach jawel, ik heb zijn brief.
Kraai: Ach, grapje, die heeft iemand anders geschreven.
De telefoon rinkelt.
Polly neemt op. Het is Holly. Hij zegt dat hij eraan komt.
Polly: Zie je wel (tegen de kraai) dat hij bestaat! Hij komt eraan.
De poppenkastpop komt de kraai versterken. Samen lachen ze Polly uit.
Polly wordt verdrietig. Hij gaat huilen. (grote zakdoek) Holly komt vast niet.
Het duurt zo lang.
Een kind komt zeggen: Stil maar Hij komt echt wel. Hoor eens!
Daar hoor ik zijn voetstappen al. Alle kinderen beginnen van zacht naar
hard Holly's voetstapgeluid te maken. Pompompomperdepom. Pompompomperdepom.
Holly komt binnen. Feest vieren. Snoepjes uitdelen.
9. De koningin komt.
Doel: Beter begrip van het feit, dat Jezus
eenmaal terugkomt als koning en dat wij ondertussen in zijn Koninkrijk moeten
werken.
Benodigdheden: Kussen, knuffel om mee te slapen.
Een grote zilveren munt. (karton met folie), wc rol, bezem, dienblad met snoep.
(of taart)
Meewerkenden: clown, vriend, koningin, lakei, een
zieke, een arme, een stouterd. (de laatste vier uit het publiek.)
De clown komt op met zijn vriend, een echte slaapkop. Hij valt steeds
in slaap en dan moeten de kinderen hem wakker roepen:
(Wordt wakker 't zonnetje is al op!)
Degene die de clown aankondigt zegt: Hoor eens, Clowntje, straks komt
de koningin en wordt het feest. Je krijgt lekkers, maar dan moet je drie
dingen gedaan hebben: Als er een arme komt moet je hem geld geven. Als er een
zieke komt moet je hem verbinden met dit wc- papier. A]s er een stouterd komt
moet je hem met de bezem wegjagen. Gesnapt?
Als de aankondiger weg is, gaat de clown herhalen wat hij moet doen,
maar hij verdraait de zaak. De zieke wil hij wegjagen, enz. Gelukkig schreeuwen
de kinderen wel wat hij moet doen.
Tenslotte kan de koningin komen.
De clown vertelt de kinderen dat ze moeten gaan staan als ze komt en
een welkomstlied zingen. Hij zal vuurwerk afsteken. (Zogenaamd of een
sterretje.)
Daar komt ze dan eindelijk. Ze dankt voor het lied en het vuurwerk en
controleert of de clown en zijn vriend hebben gedaan wat ze moesten doen. Dan
trakteert de lakei hen.
De clown vindt dat alle kinderen meegeholpen hebben, dus krijgt
iedereen iets lekkers.
l0. De bloem die kan knakken.
In een goochelwinkel kan men een bloem kopen die kan buigen. Een handig
iemand kan ook een buigbloem maken van een paar buigrietjes voor de stengel en stof,
plastic of veertjes voor de bloemblaadjes. Als men aan een touwtje trekt gaat
de bloem buigen.
Benodigdheden: een fles water en twee glazen, twee
stukken tekenpapier en twee potloden, een koekjesdoosje met koekjes. een
prullenbak.
Doel: Op een dag komt de Heer Jezus terug.
Heb je dan je leven, zijn kostbare geschenk aan jou, wel goed bewaard?
Spelers: Moeder, clown en broertje/zusje.
Moeder vertelt dat ze nog even weg moet. De kinderen moeten lief spelen
en goed op de bloem passen. Als moeder terugkomt gaan ze de bloem aan een
bruidspaar geven.
Pas op! zegt moeder, de bloem mag niet kapotgaan. Als je stout doet,
gaat hij kapot. Eén van de kinderen krijgt de bloem.
Moeder gaat weg. De kinderen gaan tekenen, maar maken ruzie en beginnen elkaars tekening te bekladden. Net op tijd merken ze dat de bloem gaat verwelken.
Dan gaan ze wat drinken, maar de één vindt dat de ander meer limonade
krijgt dan hijzelf en bijna maken ze ruzie, totdat ze weer naar de bloem
kijken.
Dan zitten ze een poos heel lief te doen en over de bloem te praten. De
clown krijgt honger en wil een koekje pakken. Zijn broer natuurlijk ook en ach,
pas als ze het koekje op hebben zien ze dat de bloem verwelkt is. Ze horen
mamma komen en stoppen de bloem gauw in de prullenbak. Ze verstoppen zich.
Moeder vindt ze toch en vraagt waar de bloem is. Huilend bekennen ze dat de
bloem kapot is gegaan. Nu kunnen ze niet naar het feest.
Mamma kijkt in de prullenbak en... gelukkig, de bloem is weer
opgefleurd, zodat het feest toch nog door kan gaan.
11. Clown weet niet wat
vruchtjes zijn.
Doel: Als men het heeft over groeien
(Woordeloze Boek) of vruchtjes dragen dan kan dit gekke spel hen helpen
nadenken.
Benodigdheden: twee grote vellen papier met daarop getekend:
Vel één: een peer, een appel, een banaan en een tros druiven, een schaapje en
een kameeltje. En op het tweede vel: een boom met schapen, een plant met de
wortels naar boven. Een aanwijsstokje.
Clowntje moet van de leidster leren tellen, maar hij vindt het niet
nodig. Hij weet alles al en hij hoeft niets meer te leren. De leidster
betwijfelt dat en laat hem tellen tot tien, wat misgaat. De kinderen helpen
wel. Je moet echt je best doen, zegt de leidster, anders blijf je dom.
Welnee, zegt de clown ik weet al zoveel. Zal ik het eens laten zien?
Hij toont de vellen en legt uit: Dit is een puntvrucht, dit is een bolvrucht,
dit is een bootvrucht en dit is een trosvrucht. Het schaap wordt schaapvrucht
genoemd en de kameel kamelenvrucht. Als de leidster en de kinderen protesteren
laat hij het tweede blad zien. De schapen groeien aan de boom en de bloem
groeit ondersteboven. Van zoveel domheid staat iedereen paf. Eén kind mag naar
voren komen en vertellen hoe het wel gaat. Dan wordt de clown naar huis gestuurd
met een appel. Hij moet nog maar eens beter om zich heen kijken.
12. Clowntje Holly moet kiezen.
Medewerkenden: Clown, leidster, drie kinderen.
Benodigdheden: Kussen, wc-rol, voorleesboek, kussen,
glas water.
Leidster is ziek. Clowntje gaat haar verzorgen. Doet wc- rol als
verband om haar hoofd. Geeft water als ze het vraagt, gaat voorlezen.
Kind 1: Kom je bij me spelen?
Clown wil wel, overlegt bij zichzelf, maar denkt aan de zieke leidster.
Kind 2: Ga je mee naar de speeltuin.
Clowntje wil graag, overlegt, redeneert, gaat bijna, maar toch maar
niet.
kind 3: Ga je mee zwemmen?
Clowntje vindt het vreselijk leuk. Gaat een eindje mee, maar bedenkt
zich toch.
Gaat de zieke goed verzorgen, slokje water, sinaasappeltje, liedje
zingen.
De zieke voelt zich een stuk beter. Gaat zitten en roept: O, ik ben een
stuk beter. Bedankt dat je zo goed voor me hebt gezorgd. Jij blijft altijd m'n
beste vriend. En als jij nog eens ziek wordt, zal ik voor je zorgen.
O, ik voel al pijn in m'n buik. roept de clown
Echt? Ga gauw liggen.
Grapje!!
Met de armen om elkaar heen gaan ze samen weg.
13. Ideeën voor een clown.
- Draag een pot met een grote bloem met je mee. Als de bloem naar boven
komt, laat je hem een leuk geluidje maken. Als hij naar beneden gaat een zucht.
Bedenk bloemengrapjes.
Bij voorbeeld: Bloemen zijn lui. Je ziet ze heel vaak in bloembedden.
Een bloem kan stralen en verwelken. Als je de waarheid spreekt staat de bloem
rechtop en als je liegt gaat hij naar beneden.
- Men kan een soort collectezak kopen in een goochelzaak, waarin dingen
kunnen verdwijnen.
- Een clown kan ook een witte handschoen dragen, met langs de kant van
het holletje tussen duim en wijsvinger een mondje getekend, twee oogjes erboven
en je kunt de kinderen weer eens leuk gedag zeggen. Als je dan op de palm van
de geopende hand het woordje Hai! schrijft kun je zo naar de kinderen zwaaien.
- Je kunt kaarsjes kopen die je niet uit kunt blazen.
- Clown heeft een telefoon onder zijn jasje.
- Hij heeft een koffertje met groentewapens, prei, (geweer) ui,
(handgranaat) enz.
14. Het kaarsje dat niet wilde
branden.
Benodigdheden: Twee kaarsen en twee aardappels.
Snijdt van een aardappel een stukje af zodat hij blijft staan. De
aardappel begint zogenaamd te gillen: "Au! Dat doet zeer hoor!"
"Ja, aardappel ik heb je nodig. Het moet eventjes. Mag het?"
"Au! Wat ben je aan het doen?"
"Ik maak een kaarsenstandaard van jou."
"Nou, vooruit dan maar, maar voorzichtig, hoor!"
Zet het kaarsje erin.
"Ik wil niet branden," roept het kaarsje. "Ik wil heel
blijven. Dan ben ik veel mooier."
"Ja, maar dan geef je ons geen licht."
"Kan me niet schelen. Ik wil blijven zoals ik ben."
Zet hem neer. Maak dan de tweede kaarsenhouder en zet die kaars erin.
"Wil jij soms ook niet aan? " vraag je dan.
"O ja, graag zelfs. Ik wil anderen blij maken met mijn
licht."
"Maar dan word je wel kleiner, hoor!"
"Geeft niks. Steek me gauw aan."
Vraag aan de kinderen: "Welk kaarsje vinden jullie het
fijnst?" Doe het licht uit en praat er wat over door.
Laat het ene kaarsje branden terwijl je een verhaal vertelt.
Aan het eind van je verhaal is het ene kaarsje klein en de andere
groot. Praat er weer over. Als we een lichtje willen zijn voor de Heer, moeten
we geven van onszelf. Je kunt ook de woorden van de aardappels en de kaarsjes
op een bandrecorder opnemen. Of door een andere leidster, die verborgen zit
laten zeggen.
15. Liegbeesten vangen.
Bijv. bij het verhaal van Abraham in Egypte.
Laat kinderen vragen bespreken, die u op kartonnen stroken hebt
geschreven. Geef zo mogelijk ieder kind er een.
Bijv. "Is dit liegen? Je buurman slaat per ongeluk je potlood van
de bank. Jij zegt dat hij het expres heeft gedaan."
Maak een vangnetje. Nodig: dropjes, klein koffiezakje, dik gekleurd
papier, lijm, viltstiften, papier. Knip een soort handspiegel met een ovaal gat
in het midden. (evt. voortekenen of voorknippen.) Plak het koffiezakje eronder
vast. Schrijf de tekst op de rand. Vang de liegbeesten. Dat zijn de dropjes,
die u uitstrooit.
Zeg: "Je mag er maar... vangen, anders heeft een ander niks."
Iedere keer als je er een vangt, zeg je: "Heel uw Woord is de
waarheid. Ps. 119:160." Laat de kinderen ook liegbeesten maken van halve
knijpers en papieren vleugels.
2. LIEDJE.
Over de bergen liep een clown
O, wat was dat clowntje blij.
Over de bergen liep een clown.
Hij huppelde, danste en sprong erbij.
En weet je wat dat clowntje riep?
Jodelodelodelodelo‑ti‑ti.
Jodelodelodelode‑ jodelodelodelode‑
Jodelodelodelo‑ jodelodelodelo‑ti‑ti!
3. Stukjes voor poppenkastpoppen.
1. Mijn bloemen.
Doel: We moeten vriendelijk tegen elkaar
praten, dat doet de ander goed.
Benodigdheden: papieren bloemenkragen, een paar
kinderen, een poppenkastpop.
De poppenkast staat klaar met dichte gordijntjes.
De leidster vertelt dat zij een mooie tuin heeft aangelegd met
schitterende bloemen. Het zijn heel bijzondere, want als je aardig tegen ze
spreekt gaan ze stralen en pronken. Als je daarentegen hen uitscheldt gaan ze
helemaal in elkaar zitten en worden klein. We geven ze water en praten lief tegen
de bloemen. Ze krijgen ook een naam. Dan zegt de leidster: "Ik moet even
weg, passen jullie op mijn tuintje?"
Als de leidster met haar rug naar de kinderen aan de zijkant wat staat
te doen, komt een ondeugende poppenkastpop door het gordijntje heenkijken. Hij
ontdekt de bloemen en begint ze uit te lachen. Hij wil zelfs een schaar om ze
af te knippen De bloemen gaan helemaal in elkaar zitten en als de leidster
komt ziet ze de schade.
"Waarom hebben jullie niet beter op mijn bloemen gepast?"
vraagt ze. "Wie heeft dat gedaan?"
De poppenkastpop krijgt de schuld, maar de leidster gelooft niet dat
die er geweest is. Ze gaat de bloemen weer lief toespreken, giet nog wat water
bij en dan moet ze weer even weg. De tweede keer gaat het weer als de eerste
keer. De leidster gaat eens goed in de poppenkast kijken en ja hoor. Ze vindt
de boosdoener. Hij wordt bestraffend toegesproken.
"Als we jou uitlachen en we zeggen dat je zulk raar haar hebt, hoe
zou jij dat vinden?"
Er wordt uitgelegd (niet te lang) dat we elkaar kunnen zegenen en
vloeken en we eindigen met: "Ik zegen jou in Jezus' naam." (Leuk idee
na het verhaal van Bileam.)
2. Leeftijdsfasen.
Doel: Bij lessen over groeien kan dit een kleuter laten nadenken over
leeftijdsfasen.
Benodigdheden: poppenkastpop (een ondeugend jongetje), flesje, speen,
rammelaar.
Pop: Tatata... hallo kinderen, ik is een baby. Ik heb een flesje en een speen. Ik rammel met het rammelaartje... tatata!
Leidster: Welnee Pietje, jij bent helemaal geen baby, hè
kinderen. Nee hoor, echt niet. Je ziet er echt niet als een baby uit!
Pop: (donkere stem) O nee, vergissing! Ik ben een ouwe opa. O, wat heb ik een pijn in m'n rug. Waar is m'n stok, zonder stok kan ik niet lopen.
Leidster: Nee, hoor! Pietje, jij bent ook geen oude opa, hè kinderen?
Je hebt blond haar en oude opa's hebben grijs haar of ze zijn kaal. Nee, een
oude opa ben je niet.
Pop: Mmm? Wat ben ik dan?O, ik weet het al. Ik ben een tiener. Ik hou van drummen Pampampammerdepam! I love you yeah, yeah, yeah! Ik ga naar school met een gsm-metje en m'n rugtas is héél zwaar.
Leidster: Nee, Pietje. Je bent ook geen tiener. Daarvoor ben je veel
te klein. Je mag toch nog geen brommer rijden? Nou dan...
Pop: Oh! Ik weet het. Ik ben een vader. Kinderen ga allemaal naar bed. Vader moet de krant lezen. Oei! Wat heb ik een drukke dag gehad op kantoor!
Leidster: Neehee! Pietje. Jij bent ook geen vader. Denk nou eens goed
na.
Pop: Wat ben ik dan? Een kleuter, die op z'n fietsje fietst?(Klein, klein kleutertje, begint hij te zingen.)
Leidster: Je bent gewoon een schooljongen. Je moet nog heel veel leren.
Je weet nog niet alles en je hebt nog mensen nodig die je daarbij helpen.
Pop: Okay, dus ik heb deze luier niet meer nodig? (Gooit een luier uit de poppenkast). Dan ga ik maar gauw naar school, anders krijg ik straf van de meester. Doei!
Af met veel lawaai.
3. Je mag niet vechten.
Doel: De kinderen er weer eens op te wijzen
dat je niet moet vechten.
Benodigdheden: een voetbal.
Terwijl de gordijntjes dicht zijn horen de kinderen veel gestomp en
geschreeuw.
Leidster: Pietje, kom eens hier, wat ben jij nou aan het doen?
Pop: (Komt te voorschijn.) Ik pik het niet langer. Ik geef hem een
reuzenknal terug! (Wil weer onderduiken.)
Leidster: Hé, wacht eens, dat mag niet. Je moet niet vechten.
Pop: Jawel! Hij knalde recht in m'n gezicht. Ik zag gewoon sterretjes.
Daarom stomp ik hem terug.
(Duikt weer onder en produceert veel lawaai.)
Leidster: Pietje! Kom eens hier. Heb jij teruggestompt?
Pop: Ja, en hard ook! Ik heb hem heel hard getrapt!
Leidster: Dat mag niet, hè kinderen?
Pop: Jawel hoor!
Leidster: Nee, hoor! Je mag geen kinderen schoppen en stompen.
Pop: Kinderen? Ik vecht niet met een kind!
Leidster: Met wie dan?
Pop: Met deze. (Haalt zijn voetbal op.)
Leidster: O, ben je met je voetbal aan het vechten. Ik dacht al. Nou vooruit, jij mag een mooi lied opgeven. Oké?
5. Ideeën en stukjes voor een handpop.
Het is leuk om te doen, maar meestal weet men niet wat te zeggen. Laat
de handpop de inleider zijn van je verhaal. Denk na over je verhaal. Welke
bijbelse waarheid kun je eruit halen? Speel daarover dan iets met de handpop.
Bijv. Zacheüs. De handpop wil rijk worden. Hij gaat lege flessen vullen met
water en dan verkopen.
De mensen in Noach's dagen: De handpop wordt gewaarschuwd niet aan een
doosje te komen. Hij doet het toch en krijgt een ding aan zijn neus/poot. Dat
doet zeer. Eigen schuld. Moet hij maar beter gehoorzamen. Ik heb hem lief en
daarom waarschuw ik hem.
1. Tien kleine kinderen.
Doel: Te laten zien, dat ze soms verleid
worden tot slechte dingen, maar dat bidden helpt.
Benodigdheden: een handpop die slecht is. (Bijv.
Zwarte Kraai.)
De kinderwerkster nodigt tien kinderen uit om naar voren te komen. De
kinderen moeten een kring vormen met de handen vast.
De leidster leert het liedje aan:
Tien kleine kinderen in 't beloofde Land,
Tien kleine kinderen dansten hand in hand.
De kinderen zingen het al in de rondte dansend. Ze staan stil.
Leidster: Toen kwam de kraai en die zei:
Kraai: Ik heb een eng monstertje gekregen!
Leidster: Eén ging er met hem mee, toen waren er nog NEGEN!
Negen kleine kinderen dansten hand in hand, enz.
Leidster: Toen kwam de kraai en die zei:
Kraai: Ik heb een gemeen spelletje bedacht.
Leidster: Eén ging er met hem mee. Toen waren er nog..
Acht kleine kinderen. enz..
Leidster: Toen kwam de kraai en die zei:
Kraai: Kom laten we andere kinderen een schop gaan geven.
Leidster: Eén ging er met hem mee, toen waren er nog... ZEVEN!
Zeven kleine kinderen enz..
Leidster: Toen kwam de kraai en die zei:
Kraai: Het is leuk om je kleine broertje te pesten.
Leidster: Eén ging er met hem mee toen waren er nog maar ZES!
Zes kleine kinderen, enz....
Leidster: Toen kwam de kraai en die zei:
Kraai: Ik noem een vrouw een wijf!
Leidster: Eén ging er met hem mee en toen waren er nog maar
VIJF.
Vijf kleine kinderen, enz ...
Leidster: Toen kwam de kraai en die zei:
Kraai: Als je gaat vernielen heb je veel plezier.
Leidster: Eén ging er met hem mee. Toen waren er nog maar
VIER.
Vier kleine kinderen, enz..
Leidster: Toen kwam de kraai en die zei:
Kraai: Geef die ander een duw, dan valt hij lekker op z'n knie.
Leidster: Een ging er met hem mee, toen waren er nog maar DRIE.
Drie kleine kinderen, enz..
Leidster: Toen kwam de kraai en die zei:
Kraai: Ik heb vieze plaatjes. Wie gaat er met me mee?
Leidster: Eén ging er met hem mee, toen waren er nog maar TWEE!
Twee kleine kinderen, enz .
Leidster: En toen de kraai kwam joegen ze hem weg.
Ze wilden niet meer naar hem luisteren. Had hij even pech.
Ze gingen op hun knieën en zeiden: Lieve Heer,
naar die rare vogel luisteren we niet meer.
En kijk eens aan: Toen kwamen heel vlug,
al die andere kinderen weer terug.
Tien kleine kinderen, in 't Beloofde Land,
Tien kleine kinderen dansten hand in hand.
2. Blackie gaat trouwen.
Doel: Te gebruiken bij het verhaal van de vijf wijze en de
vijf dwaze meisjes. De hoofdlettertekst is voor de pop.
Benodigdheden: namaaktelefoon, tafeltje, stoel, papier, pen.
Spelers: Leidster, pop, kind.
VIERHONDERDVIJFENZEVENTIG (Kijkt hemels.) ZESHONDERDDERTIG .
Hallo, mister Black, wat ben je aan het doen?
Hè? O HALLO, IK BEN AAN HET TELLEN.
Ja, dat hoorde ik. Ben je de sterren soms aan het tellen, net als
Abraham?
NEE, MAN! M'N GELD NATUURLIJK. IK WIL WETEN OF IK GENOEG GELD HEB.
Geld?
JA, IK GA BINNENKORT TROUWEN EN DAT KOST HEEL VEEL GELD.
Trouwen? Jij?
JIP, MET MADAME CLOUSEAU.
Ik dacht dat die al getrouwd was, maar... neem me niet kwalijk, ben
jij niet een beetje te lelijk om te trouwen met je schele ogen, enzo.
DAT IS GEMEEN, DAT IS HEEL GEMEEN. IK HEB MEZELF NIET GEMAAKT.
LELIJKE MENSEN KUNNEN HEEL AARDIG ZIJN, HOOR! JIJ BENT FLINK AAN HET
DISCRIM1NEREN.
Sorry, sorry. Je hebt gelijk. Toevallig wilde ik juist een verhaal gaan
vertellen over een bruidegom. Wil je me helpen?
OKEE, ZEG MAAR WAT IK DOEN MOET.
Nou, moet je luisteren. In het land, waar jij zogenaamd woont, kennen
ze geen straatverlichting.
O, GELUKKIG, DAN STOOT IK DUS NIET ZO VAAK MIJN KOP MEER.
Nee, suffie, je stoot juist veel vaker je kop, want het is daar 's
avonds pikkedonker.
LEKKER ZEG, NOU DAN GAAT DE BRUILOFT MOOI NIET DOOR. ZEG DE TAART MAAR
AF.
Niet?
NEE, IK GA NIET IN EEN PLAS LIGGEN ZWEMMEN OF ZO. IK KAN MIJN ENKEL WEL
VERZWIKKEN OF OVER EEN STEEN STRUIKELEN. KOM IK DAAR OP MIJN EIGEN BRUILOFT MET
ZO'N BLAUW OOG. NEE, MIJ NIET GEZIEN. ZEG MAAR LEKKER AF.
Wacht nou eens, Blackie. Er is een oplossing. Je moet lopende
lantarenpalen hebben. Een stuk of tien denk ik, die kunnen je dan onderweg naar
je bruid bijlichten.
LOPENDE? KUNNEN ZE NOG PRATEN OOK? DAT ZOU WEL LEUK ZIJN, OF ZINGEN.
HEB IK GELIJK EEN GEZELLIG MUZIEKJE BIJ ME.
Ja, precies, zingen kunnen ze ook. Het zijn namelijk tien
bruidsmeisjes.
O, OP ZO'N MANIER. DAN MOET IK EERST NAAR EEN UITZENDBUREAU OM ZE IN
DIENST TE NEMEN. OEI! ER IS EEN PROBLEEM!! KOST DAT NOG WAT?
Jazeker.
EN IK HEB Al ZOVEEL UITGEGEVEN.
Weet je wat? Je vraagt of die meisjes in plaats van een salaris te
krijgen, op je feestje willen komen dan kost het niks. En zij hebben een leuke
avond.
JA!! GOED IDEE ZEG! NOU IK GA DAN ZOGENAAMD. ......HALLO, MEVROUWTJE HEBT U SOMS TIEN MEIDEN VOOR ME?
(Gaat naar een kind dat achter een tafeltje zit met een telefoon,
papier en pen.)
(Leidster fluistert) Meisjes moet je zeggen.
Mevr. Hoeveel? Wanneer? Welke tijd precies? Wat moeten ze doen?
LICHT GEVEN. ZE MOETEN MET OLIELAMPJES DE WEG VERLICHTEN.
Mevr. O, juist, ja!
Dus tien meisjes, tien lampjes, olie voor drie uur. Dat kost u dus
zevenhonderdveertien plus B.T.W.
OEI, WAT VEEL: DAT HEB IK NIET.
Leidster fluistert) Je moet vragen of de meisjes.
O JA, KAN IK DIE MEISJES OOK IN NATURA BETALEN? IN PLAATS VAN GELD TE
KRIJGEN MOGEN ZE OP HET FEEST KOMEN IK HEB EEN GAAF BANDJE GEHUURD. ER ZIJN
LEUKE JONGENS OM MET ZE TE DANSEN.
Mevr. Dat is iets nieuws. Ik ga even naar boven bellen, een ogenblikje,
alstublieft... De meisjes gaan akkoord. Hier hebt u het contract.
IS DAT OM OP TE ETEN?
Nee, joh! Daarop staat de afspraak geschreven. Dan kun je het niet
vergeten, snap je?
ALLES STAAT OP Z'N KOP GESCHREVEN.
Omdraaien!
(Kraai draait het papier om.) AAN DEZE KANT STAAT HELEMAAL NIKS.
(wordt geholpen) Wat ben je toch een oen. Zo moet je het lezen.
O, JA ZEG! MAAR NOU KAN IK HET NOG NIET LEZEN.
Jawel!
WELNEE! WEET JE WAAROM NIET? IK KAN NIET LEZEN!!!
O, en jij wilt nog al liefst trouwen!
JAZEKER. ALLES IS NU MOOI VOOR ELKAAR. IK HEB EEN BRUID EN TIEN
ZINGENDE LANTARENPALEN. GOED, HE?
Prima, dan kan ik dus nu met het verhaal beginnen, Mister Black, alles
okay?
YEP, ALLES GEREGELD. IK KRIJG NOU AL DE ZENUWEN DAT IK MIJN BRUID MOET
KUSSEN.
3. Handpop. Het hondje Silly.
HALLO SILLY, WEET JE WAAR JE HIER BENT?
In de kantine?
NEE, JE ZIET TOCH AL DIE KINDEREN ZITTEN? DAT IS TOCH NIET DE KANTINE?
WAAROM WIL JE IN DE KANTINE ZIJN?
Nou, gewoon.
WAT GEWOON.
Nou, om wat lekkers te kopen.
SILLY, SNOEPEN IS SLECHT VOOR JE TANDJES.
Ja, dan krijgen ze zwarte randjes.
JIJ KUNT LEUK RIJMEN.
Jip, zal ik nog meer voor je rijmen?
GOED.
Eerst een koekje.
NEE, SILLY. JE KRIJGT GEEN KOEKJES. JE KUNT TOCH GEEN KOEKJES GAAN ETEN
ALS AL DIE KINDEREN NAAR JE KIJKEN?
Nee, dat is waar, maar ik heb honger.
SILLY, STRAKS KRIJG JE BROKJES EN SCHOON WATER.
Zeg, krijg ik straks de rest van jouw prakkie. Dat vind ik veel
lekkerder.
NEE, SILLY AARDAPPELEN ZIJN OOK SLECHT VOOR JE.
Nietes, hoe weet je dat nou?
DAT HEB IK GELEZEN IN EEN BOEK OVER HONDEN.
Nou, mij kan het niet schelen. Ik eet wat ik lekker vind.
JE WILT TOCH NIET ZIEK WORDEN?
Ik mag nooit eens wat.
O, KINDEREN, WIE KAN SILLY VERTELLEN DAT HIJ NAAR MIJ MOET LUISTEREN.
HIJ WIL HET NIET SNAPPEN. SNAP JE HET NU, SILLY?
Ja, hoor, lieverd.
WAT ZEG JE NOU?
Nou, je zorgt toch goed voor me?
ZAL JE DAN VOORTAAN DOEN WAT IK ZEG?
Nee.
NEE?
Nee, als je zegt dat ik aardappelen moet eten doe ik het niet.
O, JIJ STOUTERD. NOU HEB JE ME TE PAKKEN. IK GA JE MAAR GAUW WEER IN JE
MAND LEGGEN, WANT JONGE HONDJES MOETEN VEEL SLAPEN. ZEG JE DE KINDEREN NOG EVEN
GEDAG?
4. Silly heeft de eerste prijs
in een schoonheidswedstrijd gewonnen.
HALLO SILLY. WAT ZIT JE JE DAAR TOCH SCHOON TE LIKKEN. ZEG EENS DAG
TEGEN DE KINDEREN.
(Heel snel: dag! gaat weer door met likken.)
WAT HEB JE HET DRUK MET JEZELF OP TE POETSEN?
Ja, ik moet heel mooi zijn.
WAAROM?
Ik heb de eerste prijs in een schoonheidswedstrijd gewonnen. Kijk maar,
hier hangt mijn medalje.
JA ZEG. TSJONGE, GEFELICITEERD.
Nou mogen mijn pootjes niet meer vuil worden en trouwens, ik heb nog
een appeltje met je te schillen.
WAT VOOR APPELTJE?
Nou, die vuile lap in mijn mand. Daar moet nodig een nieuwe voor komen.
En ik wil ook een gouden etensbakje en luxe hondenbrokjes.
JA, KOM NOU. ZEKER OOK NOG EEN ZILVEREN SPIEGEL EN EEN ECHT
VARKENSHAREN BORSTEL. DROOM MAAR LEKKER VERDER HOOR. TROUWENS, IK WOU JE JUIST
VRAGEN OF JE VANMIDDAG MET MIJ GING WANDELEN IN HET BOS.
In het kraaienbos? (Houdt op met likken.)
JA.
Waar je zo lekker achter de konijntjes aan kunt jagen?
JA, DAT BOS.
Waar er zoveel andere honden zijn om mee te dollen?
JA.
O, dan wil ik mee.
DAT KAN NIET?
Dat kan niet?
NEE, DAN WORD JE VIES. JIJ BENT NU EEN PRIJSHOND EN JE MAG ALLEEN MAAR
ACHTER DE RAMEN ZITTEN EN POETSEN.
Maar dat wil ik helemaal niet. Ik wil rollen en dollen en achter de
katjes aanzitten. De schoonheidsprijs kan me eigenlijk niks schelen. Neem jij
hem maar.
OK, MAAR DAN EERST SLAPEN ANDERS BEN JE STRAKS TE MOE.
Dag kinderen tot straks in het Kraaienbos.
5. Silly heeft gedroomd.
Eu, eu, eu!
WAT DOE JE NOU, SILLY?
Ik ben zo bang.
DAT HOEFT TOCH NIET. JE BENT HIER BIJ DE KINDEREN. ALLEMAAL HOUDEN ZE
VAN JE.
Echt waar? Maar toch heb ik zo'n naar gevoel in mijn buik.
HOE KOMT DAT DAN? HEB JE TOCH AARDAPPELEN GEGETEN?
Nee, echt niet. Ik heb zo naar gedroomd.
ACH, SCHAT. WE DROMEN ALLEMAAL WEL EENS NAAR, HE KINDEREN? WIE WIL
SILLY EVEN TROOSTEN? GAAT HET NOU BETER?
Ja, maar ik moet er nog wel steeds aan denken.
VERTEL EENS WAT JE HEBT GEDROOMD.
Ja, ik zat lekker aan mijn kluif te kluiven, toen kwamen er ineens
wems! drie grote honden op me af. Een beet er in mijn poot en een beet er in
mijn staart en een sprong er naar mijn keel.
EN ZIJN DIE HONDEN WEER WEGGEGAAN?
Ja, jij kwam er toch aan?
IK?
Ja, weet je dat niet meer?
NEE NATUURLIJK NIET. HET WAS TOCH EEN DROOM.
Ja, maar jij was in mijn droom.
En jij joeg die honden weg met een stok.
EN TOEN?
Toen werd ik wakker en jankte van de angst.
JA DAT BEGRIJPEN WE NU WEL.
Weet je wat nou zo jammer is?
NOU?
Ik heb m'n kluif laten liggen.
NOU, SILLY, DAN GA JE TOCH WEER LEKKER VERDER DROMEN. DAG!
6. Iemand
betaalde voor mij. (handpop Silly)
LEIDSTER: SILLY, WAAROM BEN JE ZO STIL? IS ER IETS WAAR JE MEE ZIT?
S. Ja, ik vind het vervelend, dat je vandaag een tekening hebt
gekregen.
L. EEN TEKENING?
S. Ja, een tekening.
L. DAT WAS GEEN TEKENING, MAAR EEN REKENING. DAT BETEKENT DAT IK VEEL
GELD MOET BETALEN.
S. Door mijn schuld.
L. JA, DOOR JOUW SCHULD. VERTEL NOU EENS PRECIES WAT ER IS GEBEURD.
S. Nou, ik heb een oude vrouw gebtn.
L. WAT?
S. Gbtn.
L. PRAAT NOU EENS WAT DUIDELIJKER, DE KINDEREN KUNNEN JE NIET VERSTAAN.
S. Ik heb een oude vrouw gebeten!
L. DAT IS NIET ZO BEST, SILLY. HAAR JAS HEEFT EEN GROTE SCHEUR
GEKREGEN. EN ZO MOEST OOK NOG NAAR DE DOKTER.
S. Ik deed het niet expres. Ze kwam onverwachts de deur uitlopen en
toen schrok ik zo dat ik haar beet.
L. EN NOU ZIT IK MET EEN HOGE REKENING. WIE MOET DAT NOU BETALEN?
S. Ik heb geen geld.
L. TOCH MOET ER BETAALD WORDEN.
S. Dan gooi je toch gewoon die tekening in de prullenbak.
L. DIE REKENING! NEE, DIE KAN IK NIET IN DE PRULLENBAK GOOIEN.. DAN
KRIJG IK EEN NOG HOGERE REKENING.
S. Ik word er een beetje bang van.
L. JA, DAT GELOOF IK. EN WEET JE, OMDAT JIJ VAN MIJ BENT, MOET IK
BETALEN. LEUK, HOOR! MAAR NIET HEUS. IK DENK DAT IK JOU MAAR NAAR HET ASIEL
BRENG.
S. Nee! Alsjeblieft niet! Ik wil niet naar het asiel. Dan heb ik geen
baasje meer. Dan zit je de hele dag te blaffen in een kaal hok. O lieverd, wil
je alsjeblieft, alsjeblieft voor me betalen?
L. IK MAAK MAAR EEN GRAPJE. JIJ BENT TOCH MIJN LIEVE HOND. MAAR JE MOET
GEEN MENSEN MEER BIJTEN, HOOR! BELOOF JE DAT?
S. Wat ben je toch een schat. Ik hou hartstikke veel van je. Je krijgt
honderdduizend likken van me. Hier, een lik over je snuit en een lik over je
oor.
L. BAH! VIEZERD, HOU NOU MAAR OP. HET IS AL GOED.
S. Ik zal altijd jouw lieve hond blijven, echt waar.
L. OKE. ZEG DAN MAAR WEER DAG TEGEN DE KINDEREN. DAN KUN JE NOG EVEN
LUISTEREN NAAR MIJN VERHAAL.
6. Vertellen en meedoen voor kleuters.
Jonge kinderen kunnen niet erg lang stil luisteren. Het beste is dan om
hen mee te laten doen.
Bij voorbeeld:
Er was eens een koning. Hij heette Farao. Hij had een gouden kroon op
zijn hoofd. (Maak een cirkelend gebaar om uw hoofd.
Doe maar mee, zeg je dan.) Op die kroon zat van voren een gouden slang.
(Maak een slang gebaar boven uw voorhoofd.)
Die koning zei steeds maar weer: Ik ben de baas, Ik ben de baas. Roep
maar eens mee. Hij wilde het volk van God heel hard laten werken, zonder
vakantie.
Ze moesten: klei kneden (gebaar), kneden, kneden, platslaan en er
stenen van bakken. Steen voor steen moesten ze kneden, platslaan (Sla met de
ene hand op de andere.) en neerleggen. Kneden, kneden, platslaan, neerleggen,
steeds hoger.
Maar toen kwam Mozes. Hij had een stok in zijn hand. Pak je stok eens
vast! Het was de staf van God.
Mozes zei: God is de baas! Roep eens allemaal hard mee: God is de baas!
Laat mijn volk vrij! We willen weggaan om Hem te dienen... En zo kun je verder
doorvertellen.
Het is belangrijk, dat je stereotiepen weer terug laat komen.
Zoals die Farao. Steeds als je zijn naam noemt, doe je weer die kroon
met die slang.
In een andere verhaal kun je hetzelfde doen, zodat ze bij Farao gelijk
denken aan zijn eigenschappen.
Als ze bijv. wat moeten inschenken, laat je hen met de ene hand in de
andere schenken en een klokkend geluid maken. Speel het een paar keer. Ze
genieten ervan. Deze manier van vertellen houdt ze bij de les.
Het is lachen als de leidster doet of ze het niet meer weet.
Bijvoorbeeld: Ze zegt: "In het Sprookjesboek staat..."
"Nee," gillen de kinderen, "dat is geen sprookjesboek, dat
is de bijbel."
Of: "Waar kom je nou toch ook al weer als je doodgaat? In een
mooie tuin of zo?"
"Nee!" gillen ze dan: "In de hemel."
Het is leuk om verkeerd te tellen, of de dagen van de week te
verminken.
Let op: Een jong kind wil niet graag een slechte rol spelen. Je krijgt
ze er maar moeilijk toe om niet de goede koning te willen dienen, maar de
slechte. Dat los je op met een pop. Ik weet wel dat jij de Heer Jezus wil
dienen, zeg je dan, maar de pop is stout. Laat jij hem maar eens praten. Dan lukt
het wel.
Soms zijn ze zo gewend aan de pop, dat ze wachten tot hij gaat praten.
"Hij zegt niks," zeggen ze dan.
Kinderen van drie zijn vaak bang van een clown. In een grote groep
moeten de moeders erbij zitten, of de medewerkers moeten zo'n kind op schoot
nemen. Het is voor hem nog te echt.
1. Vertellen tijdens het
uitspelen.
Bij toneelspelen weten de kinderen vaak niet wat ze moeten zeggen. Het
is ook leuk om ze te laten uitspelen wat je vertelt, dus gelijktijdig. Verdeel
de rollen. Jij bent....
Het paleis is hier en daar is de tempel. Als je loopt dan ga je zo.
Dan ga je vertellen. Bijv. De God Dagon viel op zijn gezicht. (Kind,
dat voor Dagon speelt, valt om.) en de priester sloeg zijn hand aan de mond.
(Kind, dat voor priester speelt doet het.) Je kunt ze ook laten praten tijdens
dit toneelspel, bijv. En de koning riep wanhopig:...(Kind roept.)
Ze vinden het heerlijk.
2. Paasverhaal
voor kleuters.
Ik ben Bennie. Mijn vader heeft een tuin. Een heel mooie tuin. Er is
een rots, die is keihard. Als ik erop sla doet mijn hand pijn. Er staan
prachtige bloemen in. Pluk er maar eens één en ruik eens.... Er staan ook
bomen in, hoge bomen en lage struiken. Er is een boom waar ik graag inklim.
(Klimmen jullie even mee. Goed zo, en dan kijken we door de blaadjes naar de
tuin.
Niemand ziet ons, maar wij zien alles.)
O, kijk eens. Er komen werklui in de tuin. Ze hebben hamers bij zich en
beitels. Ze gaan in de rots hakken. Dat mag niet. Dat gaan we gauw tegen pappa
zeggen.
Pappa! (Roepen jullie even mee.) ... Pappa, er zijn mannen in de tuin.
Ze maken de rots kapot.
Weet je wat pappa zegt?
Hij zegt: Dat moet ook. Er moet een hol in de rots komen.
Pappa, vraag ik dan, wat komt er in dat hol?
Een bad en een tafel.
O, is het hol dan een badkamer?
Nee, zegt pappa, dat hol is een graf. Het is voor iemand die heel,
heel, heel lang gaat slapen. Voor iemand die dood is.
Gaat er dan iemand dood pappa? (Vragen jullie het ook even.) .... Nee,
zegt pappa, het graf is voor later, als oude opaatje dood gaat of zo. Kom mee,
dan gaan we samen kijken naar de werklui. Zullen we helpen hakken?...
Tiktiktik, klopklopklop!
Nou gaan de werklui ook nog een grote steen maken. (Helpen jullie weer
mee? Hij moet helemaal rond worden... Tiktiktik, klopklopklop. Kom, dan gaan we
in de boom zitten kijken.
(Klimmen jullie ook even in je boom?)
Het graf is goed geworden, hè? Er is een tafel van steen en een bad. De
steen is groot en rond. Nou gaan de werklui weer weg. Zullen we even naar ze
zwaaien? Dag werklui, dag....
Op een keer zit Bennie weer in zijn boom. Hij kijkt naar alle bloemen
en ook naar de bijtjes. Plotseling gaat het hek open. Daar komen soldaten
binnen. Wat is er aan de hand?
De soldaten stampen zo hard. (Doen jullie even mee.) Eén, twee, drie,
vier, één, twee, drie, vier...Op de plaaaaaats, rust! Achter de soldaten loopt
pappa en een paar mannen. Ze dragen een groot pak. Het is een dood mens,
helemaal in doeken gewikkeld. De voeten, het lijf, en ook het hoofd.
Pappa, pappa, wat doe je? roepen we. (Roepen jullie ook even?) Pappa zegt, dat is de Heer Jezus. Hij is
doodgegaan. Hij mag in ons graf liggen.
De Heer Jezus? Die lieve Heer Jezus? Die heeft mijn been genezen toen
het pijn deed. Pappa is de Heer Jezus doodgegaan omdat hij ziek was?
Nee, hij is doodgemaakt.
Wie heeft dat gedaan???
(Laten we even heel hard roepen: WIE HEEFT DAT GEDAAN?)
Dat hebben de soldaten gedaan.
O, wij vinden de soldaten heel gemeen. Wij worden heel boos op ze. Kom
maar dan gaan we gauw in onze boom zitten, want we krijgen er buikpijn van.
(Klimmen jullie even in de boom? Kijk maar tussen de blaadjes door.) Ze leggen
de Heer Jezus op het tafeltje en ze doen de grote steen voor het graf. De
soldaten blijven erbij op wacht staan. Weet je wat? We gaan die soldaten lekker
met rotte appeltjes gooien. (Doe maar even mee.)
Pats! Die was raak. Precies op die ene soldaat zijn helm.
O, wat is dat nu? Pappa pakt me vanachter vast. Hij haalt me uit de
boom.
Stoute jongen, zegt hij. Je moet de soldaten niet met appeltjes
gooien. Als ze boos worden gaan ze je prikken met hun messen.
Maar pappa, zij hebben die lieve Here Jezus doodgemaakt.
Nee, zegt pappa. Luister Bennie. Jezus stierf voor alle stoute dingen
die wij hebben gedaan.
Ik heb nooit stout gedaan, hè pappa?
Jawel, verleden week heb je met je broer gevochten. En je wil nooit je
prakje opeten en... nog zoveel dingen meer. Daarvoor moet de Heer Jezus
betalen. Niet met centjes, maar met zijn leven. Dus eigenlijk moet je appeltjes
naar jezelf gooien en naar mij. Kom nou maar mee, dan gaan we naar de synagoge.
Bennie zingt mooie liedjes in de synagoge en hij blijft de hele
volgende dag in huis.
Maar als het Pasen wordt is Bennie al heel vroeg wakker.
Alle vogeltjes fluiten. (Willen jullie ook even fluiten als de
vogeltjes? Hij gaat naar de tuin en klimt in de boom.
(Klimmen jullie ook even in de boom?)
Als we net zitten hoor je ineens Boemderdeboem! (Doen jullie even
mee?....)
Kijk eens. O, kijk nou eens. Er is een witte man die de grote steen
wegrolt. De soldaten schrikken erg.
Ze vallen allemaal om en rennen dan doodsbang weg.
Zullen we ze even uitlachen?.....
Kom dan gaan we pappa roepen. We gaan het hem vertellen.
(Roep maar: Pappa, pappa, het graf is open....)
Waar is pappa nou? Hij is niet in de slaapkamer.
Hij is niet in de keuken. Hij is niet in de woonkamer.
O, pappa is al in de tuin.
Pappa, pappa, moet je horen. Er is een man bij pappa.
Hij heeft net zulke kleren aan als de tuinman.
Pappa zegt: Kijk eens, Bennie, wie is dat?
Ik kijk, ik kijk... Het is de Heer Jezus.
O, wat een wonder. De Heer Jezus leeft weer.
Hij steekt zijn hand naar mij uit.
Ik wil hem een hand geven, maar ik zie het litteken.
Ik vind het eng om een hand te geven.
Maar dan ineens denk ik eraan, dat de Heer Jezus voor mij die littekens
heeft gekregen. Voor al mijn stoute dingen.
En dan geef ik gauw een hand.
Dankuwel Heer Jezus, dat u voor mij doodging.
(Zullen we het allemaal zeggen? Dankuwel...)
En weet je wat de Heer Jezus zegt?
Hij lacht naar mij en zegt: Bennie, ik maak een mooi plaatsje klaar
voor jou in de hemel. Daar word ik helemaal blij van.
Nou is het echt Pasen, fijn hè?
3. De vrede.
Verkleed een meisje of jongen als de vrede. Zet die op de gang. Leer de
tekst: ZOEK DE VREDE EN JAAG DIE NA. PSALM 34:15. Laten dan twee kinderen de
vrede gaan zoeken en binnenbrengen.
Vraag: "Wie ben je?"
Vrede: "Ik ben de vrede."
Leidster: "Wie is je vader?"
Vrede: "De Here God. Mag ik bij je binnenkomen wonen?"
Leidster: "Nee. Ik woon hier juist zo lekker."
Stout jongetje komt op. Bombombom! op de deur.
Leidster: "Wie is daar?"
Stout jongetje: "Ik. Ik kom ruzie maken met je. Je hebt mijn bal
op het dak gegooid en je zit me altijd te pesten!"
Leidster maakt flink ruzie met het jongetje.
Ze slaat zogenaamd de deur dicht. Dan klopt de vrede weer aan.
"Mag ik bij je binnen komen wonen?"
Leidster: "Nou, vooruit dan maar. Ik word gek van al die
ruziemakers aan de deur." Praten even samen.
Bombombom, daar is het stoute jongetje weer...
"Laat mij maar opendoen." zegt vrede.
Opent de deur. "Wat is er?"
"Ik wil ruzie maken met die daar binnen."
"O, die komt niet meer. Ze laat mij steeds opendoen. En je wilt
toch niet met mij vechten, hè?
Stout jongetje: "Nee, met jou niet. Nou dan ga ik maar."
Vrede sluit de deur en de leidster en vrede gaan gezellig samen in de kamer zitten. (zogenaamd.)
4.Vruchtjes dragen.
Twee kinderen komen binnen met een mand vruchten.
Wat komen jullie doen? "Wij willen vruchtjes dragen voor de Heer
Jezus."
Ja maar dat wordt er niet bedoeld! Laat de vruchten zien en vertel er
wat over. Vertel wat vruchten dragen dan wel is. Of laat ze "De boom die
wordt hoe langer hoe dikker" spelen en als ze allemaal om elkaar heen
staan strooi je tumtummetjes over ze uit als vruchtjes. Grabbelen maar.
7. Trucje.
Pingpongballen.
Verf een stuk of zes pingpongballen in diverse kleuren.
Neem een vaas met niet te wijde hals. Doe een voor een de
pingpongballen in de vaas, terwijl u vertelt wat ze voorstellen. Zwart voor
haat, rood voor boosheid, geel voor jaloersheid, blauw voor hoogmoed en groen
voor pesten. Dat zit allemaal in mijn hart. De mensen zien de mooie
buitenkant, maar God ziet wat er in mij is. Hoe kan ik al die lelijke dingen
eruit krijgen? Doe water in de vaas. Als Jezus met Zijn liefde in mijn hart
komt, gaan al die lelijke dingen eruit. (De pingpongballen drijven er vanzelf
uit.)
Nood leert bidden.
Verhaal: Mozes in het biezen mandje.
Begin met brainstormen.
"Wat doen jullie als je bang bent?" vraag je de groep.
"Roep het maar hardop, dan schrijf ik het op het bord."
De kinderen roepen dingen als: "Een mes pakken, moeder roepen, een
alarm af laten gaan, de politie bellen, in je broek plassen, wegrennen,
enz."
"Nu zijn jullie één ding vergeten, dat ik het allereerste doe.
Namelijk BIDDEN." Schrijf dit bovenaan het bord. Dan begint u met
de vertelling van de geboorte van een jongetje in het huis van Amram en
Jochebed. "Wat konden deze ouders doen?
Laten we nog eens naar ons bord kijken. Geen van de dingen die jullie
geroepen hebben kon hen helpen. Wat blijft er dus over? Juist: bidden."
Nu laat je het spreekwoord zien, dat er al die tijd bedekt had
gehangen. Nood leert bidden. Je spreekt er even over.
Dan vervolg je je verhaal en legt uit dat alleen God nog kon ingrijpen
en Hij deed het. Voor kinderen die niet van huis uit gewend zijn om te bidden
is dit verhelderend.
Kleitafereel.
Met een grote groep kinderen kun je een kleitafereel maken om het leven
van Elia uit te beelden, o.a.
.... Elia bij de beek Krith, raven.
.... Elia en Achab.
.... Elia op de berg. Het volk, altaar.
.... Elia slaapt onder een boom. Engel brengt eten.
.... De wijngaard van Nabot
.... Achab in bed. Isebel en knecht.
.... Elia en Elisa geven les.
.... Vurige wagens.
Nodig: crêpe papier, lange strook papier als ondergrond. plastic voor
water, steentjes, doosjes, lucifershoutjes. Stokjes, mesjes of lepeltjes,
lapjes. Als alles op lange tafels achter elkaar wordt getoond kun je er
kaartjes bij plaatsen, waarop staat wat elk tafereel voorstelt. Ouders kunnen
langslopen.
De kinderen kunnen dit ook doen om geld in te zamelen voor een goed
doel.