LES 10  CURSUS JOSINE DE JONG

 

VERTELLEN

                  

Inhoud van de les:

1. Om een verhaal te vertellen.

2. Voorbereiding.

3. Uitvoering.

4. Een paar oefeningen.

5. Het vastleggen van je verhaal.

6. Materiaal.

7. Enige uitspraken.

8. Conclusie.

 

1. Om een verhaal te vertellen moet je:

- kennis hebben van het kind, zijn noden, wat moet het weten voor zijn leven? Wat moet er veranderen?

 

- Je moet ook weten wat God met een mens wil bereiken. Wat is Gods wil nu?

 

- Kennis van het verhaal en zijn bedoeling in de con­text van het geheel. De boodschap voor toen en nu.

 

- Kennis van de sociaal culturele omstandigheden van vroe­ger. Ik moet weten hoe het land eruit zag en hoe men zich kleedde.

 

- Ik moet voorstellingsvermogen hebben.

 

- Persoonlijke ervaring. In je computertje (je hersens) zit een schat aan ervaring als mens, als kind. Er zijn gebeurtenissen uit boeken en andermans levens opgeslagen. We zijn zo rijk!

 

2. Voorbereiding

- Bid er voor. De Heilige Geest moet het verhaal in je vormen. Dat kost tijd, broedtijd.

- Begin dus zo vroeg mogelijk en lees het steeds over in de bijbel.

- Gebruik de Korte Verklaring als je die hebt.

- Bedenk of schrijf op wie de hoofdpersonen zijn.

- Van wie uit ga je het vertellen? Dat kan ook een broertje zijn, of een ezeltje. Waar speelt het zich af?

- Neem een atlas erbij. Ook een bijbels Beeldwoordenboek, of zoek op internet.

- Bedenk van te voren wat je hoogtepunt zal zijn. Daarna moet je snel eindigen. Bij voorbeeld:

 

"Na een kort dankgebed roept Jezus luid: "LAZARUS. Kom naar buiten!!" En zie.... Lazarus komt. Zijn gezicht en z'n hele lijf omwikkeld met repen doek."

 

"Ja," zult u zeggen, "maar er komt toch nog veel erna? De verwondering van allen, enz." Dat is ook zo maar die hoef je niet per se aan het eind te vertellen Dat kan ook aan het begin. Op deze manier:

 

"Zeg, heb je het al gehoord," vragen de mensen in Jeruzalem aan elkaar. "In Bethanië is een man..."

Het gaat over de ezelfokker Lazarus, die dood geweest is en door Jezus weer werd opgewekt. Sindsdien is het gedaan met de rust in het kleine stadje. Veel mensen gaan zelf poolshoogte nemen. Ze willen die Lazarus wel eens zien. Zelfs de Farizeeën en Schriftgeleerden komen kijken. "We moeten hem doden," fluisteren ze gemeen. "Straks gaat iedereen door hem in Jezus geloven. Die man is een gevaar!" O, Lazarus merkt al die blikken wel, die op hem gericht zijn, maar hij trekt er zich niks van aan. Soms, heel soms, als er oprechte mensen zijn die hem eerlijk vragen stellen, dan vertelt hij het hele verhaal. Dan stralen zijn bruine ogen. Dan komen ook zijn zussen erbij staan... enz."

Bedenk welke haltes je wilt gebruiken. Je vertelt van plaatje naar plaatje in je gedachten. Je kunt ook best even van standpunt wisselen. Bijv. Eerst ben je bij de zussen, die huilen om hun verdriet dat Lazarus gestorven is. Dan laat je dit even liggen en vertelt wat er bij Jezus in het Overjordaanse gebeurt en je gaat met Hem mee terug naar Bethanië.

 

- Hoe begin je?

Bedenk een actief brokje uit het ver­haal, een schreeuw, een roep. Het lokt de kinderen om te gaan luisteren. Bijvoorbeeld: "We slaan hem in elkaar. We slaan hem gewoon in elkaar, die dief." roepen de zoons van Laban boos.

‑ Je kunt ook met een vraag uit deze tijd beginnen.

  "Gebeurt het jou ook wel eens dat iemand je pakken wil?

   Zo'n grote knul met al die vriendjes van hem?"

‑ Of met een landschapsbeschrijving: "Over de karavaanweg naar het noorden loopt een eenzame jongeman. Zijn mantel is stoffig en gescheurd, zijn sandalen zijn tot op de draad versleten... "

‑ Met een gevoelsbeschrijving:

  "Als Jakob niet zo treurig was geweest, had hij vast die mooie bok wel gezien, op de rots, schuin boven hem ...".

 

- Hoe eindig je?

Dit is ook belangrijk om te kunnen stoppen en niet door te zeuren. Schrijf desnoods je laatste zin op.

 

- Onbegrijpelijke brokjes moet je van te voren uitleg­gen, niet onder je verhaal. Je moet dus van te voren weten waar een probleem kan komen. Bij voorbeeld: Wat is een Farizeeër, of een tollenaar? Zelfs het woord herder kunnen ze nog  verkeerd begrijpen. Het is wel eens voorgekomen in een derde groep van openbare schoolkinderen dat ze halverwege het verhaal van de goede herder riepen: "Maar een herder hep toch pote?..."

En kinderen uit groep 7/8 wisten niet wat maagden zijn. Zijn het magen misschien?

 

‑ Houd ook in de gaten dat wij in een andere cultuur leven. Er was eens een meisje die hoorde dat de raven Elisa elke ochtend en avond brood brachten en dat daarop rea­geerde met: "Smerig zeg, dat zou ik niet lusten!"

 

Afspraken

‑ Het is ook belangrijk van te voren de afspraak te maken, dat er niemand naar de wc mag onder de vertelling.

‑ Maak met evt. andere groepen de afspraak zomin mogelijk te storen onder de vertelling.

- Denk bij je voorbereiding ook aan de ruimte waarin je zit. Is er genoeg ventilatie? Soms gaan de kinderen draaien als het benauwd wordt. Kinderen gaan ook draaien als de stoelen te hoog voor ze zijn.

 

- Hoe lang vertel je?

Voor kleintjes l0, grotere 20 minuten. Een aanvangend verteller is na een paar minuten al klaar. Vertel vooral niet te lang. Afwisseling van zinvolle interessante activiteiten is aan te bevelen. Houd de kinderen actief betrokken bij het leerproces, zodat ze al hun vijf zintuigen gaan gebruiken.

- Wat is de geestelijke les uit dit verhaal?

 We hebben nooit de opdracht gekregen om bijbelse geschiedenis te vertellen, maar om het evangelie aan de kinderen door te geven. Niet of ze alle verhalen wel kennen, maar of ze weten wat God van hen vraagt is belangrijk. Ze moeten dat gaan oefenen, gaan doen. Wat voor een les zit erin als de kinderen horen dat Ehud een mes in de dikke buik van koning Eglon stak?

 

- Welk materiaal ga je gebruiken? (Platenboek, platen, flanelles, schoolbord, flap-over, overheadprojector, computer, objecten.)

 

- Lees het verhaal eens na in verschillende kinderbij­bels. Maar pas op! Soms staan er fouten in die je ongemerkt overneemt. Bij voorbeeld: de rook van Abel ging omhoog en die van Kaïn sloeg neer. Was Jozef echt wel een verwende jongen en een klik­spaan of was het gewoon omdat de broers het kwade liefhad­den, dat ze hem niet konden verdragen? Verklikte Jozef hen soms door niet mee te gaan of te doen?

 

3. Uitvoering

- Zie je er leuk uit? Denk ook aan je lichaamshouding. De kinderen moeten steeds naar je kijken. Ze merken dat je roos op je schouder hebt of een veeg op je gezicht.

- Steeds heen en weer lopen is storend.

- Als je onzeker bent voelen ze dat. Ze voelen of er wat van je uitgaat. Onze houding wordt uitgedrukt in een serie non-verbale (met je houding) seintjes. De toon waarop men iets zegt, gebaren, een glimlach, een aanraking kunnen meer spreken dan woorden. Een kind is in zijn gevoelens vaak volwassener dan de volwassenen. Laat gerust de liefde en vreugde van de Heer uit je komen. Als jij het niet leuk vindt om te doen gaan de kinde­ren klieren.

 

- Gebruik van materiaal

  Hoe houd je iets vast? Kan elk kind het zien?

‑ Voor groteren helpt het wel eens als ze onder het vertellen mogen tekenen. Ze mogen dan natuurlijk niets aan elkaar vragen, geen punt gaan slijpen, alleen stil tekenen. Zij doen graag iets met hun handen.

 

- Houd oogcontact met de groep. Aan hun ogen kun je zien of ze met je eens zijn. Als ze niet willen kijken, betekent het, dat ze verlegen zijn met jouw boodschap. Ze willen niet dat je in hun ziel kijkt. Dit is een soort instinct net als bij honden. Misschien zeggen ze ja, maar ze willen het jou niet laten weten. Je moet het niet erg vinden. Misschien breng je de boodschap wat erg agressief en laat je ze geen ruimte om zelf te kie­zen. Het mooiste is natuurlijk als ze aan je lippen han­gen, maar dit is niet altijd te bereiken. Ook als ze zogenaamd zitten te draaien kunnen ze best gehoord hebben wat je zegt.

 

‑ Vooral geen opsomming, geen uittreksel van het verhaal geven. Vertel in de tegenwoordige tijd, dat helpt je van je geschiedkundige opsomming af.

Bijvoorbeeld:

Verl. tijd: David moest maken dat hij weg kwam. Michal had een koord en gooide dat uit het raam. Hieraan klom David naar beneden en vluchtte. Nu in de tegenwoordige tijd: (Spannender)

David moet vluchten, maar hoe?

"Hier is een koord," roept Michal zacht. Samen binden ze het aan het bed vast.

"Vlug, gooi het uit het raam."

David laat zich voorzichtig naar buiten glijden en ja ... veilig bereikt hij de grond."

 

Toch kan men ook in de verleden tijd spannend vertel­len. Een voorbeeld hiervan kun je vinden in de boekjes van Van der Hulst.

"Toettoet! Daar gingen ze. O, Santjes ogen schitterden van wilde pret. Haar stevige vuistjes hielden de ijzeren beugel stijf vast. Toettoet! En ‑ zo aardig ‑ het zwarte poesje huppelde mee, voor de motor uit. (Uit Het Zwarte Poesje.)

De verleden tijd kun je ter afwisseling gebruiken. Als iemand even terugkijkt in zijn leven.

 

- Wanneer gebruik je een vraag in je verhaal?

 Het is om even het zaakje wakker te schudden. Maar pas op! Kinderen geven gauw antwoord en dan ben je juist de aandacht kwijt. De ene vraag lokt dan de andere uit.

- Zet eens een vragenbusje neer. Beantwoord de vragen schriftelijk. Zelf kun je ook veel aan die vragen hebben. Het maakt duidelijk waar je iets niet goed hebt uitgelegd. Een meisje vroeg eens: "Waarom genas God Naäman, terwijl hij toch een slechte man was?" Pas toen begreep ik die zeven onderdompelingen.

- Afwisseling van stem (hard, zacht, koud, warm, melo­dieus)

- Gebruik van mimiek. Je gezicht spreekt boekdelen.

- Woordgebruik. Spreek netjes Nederlands. Populaire uitdrukkingen mogen wel, mits ze netjes zijn. Ook je Nederlands moet goed zijn.

- Als een kind lastig is helpt het wel eens om speciaal voor hem/haar te gaan vertellen. Je hoeft dan niet te waarschuwen, wat zo stoort. Je kunt bij voorbeeld zeggen: En.... wat denk jij nou, Anneke, dat Petrus zei?

- Het is heel fijn als er iemand van de leiding voor je bidt terwijl jij vertelt.

- Geen conclusie aan het eind van je verhaal. Dit is heel saai. Niemand luistert meer. Je had je boodschap in je vertelling moeten verpakken.

 

4. Een paar oefeningen

- Verzin eens bij onderstaande bijbelverhalen een voor kinderen aantrekkelijk opschrift.

... Adam en Eva. Gen.3

... Abrahams roeping. Gen.12

... Jozef naar Egypte verkocht. Gen.37

... Doortocht door de Rode Zee. Ex. 13

 

Het is niet zo dat je die titel hoeft te vermelden voor je gaat vertellen, maar het helpt je na te denken over wat je wilt gaan vertellen. Je zou wel een geheimzinnige titel kunnen bedenken, die je aan het begin van het zondagsschooluur meedeelt, zodat ze nieuwsgierig worden wat dat wel zal zijn. Bijvoorbeeld: Hoe komt een sterke man aan z'n kracht?

 

Schrijf eens een beginregel op van deze verhalen in de directe reden (d.w.z. wat iemand direct zegt b.v. "Kom hier, Natanaël")

 

Schrijf nu eens een zin op, waarin je de omgeving beschrijft, of de omstandigheden, zodat de kinderen er gelijk inzitten.

 

Pak wat bijbelverhalen uit een tijdschrift, of uit een kinderbijbel en ga voor jezelf eens na hoe men begint, hoe men de natuur be­schrijft, geuren of karakters.

 

Vul eens wat omschrijvingen in.

De ........ visser. De ...... vrouw.

De ...... boot. Het ..... huisje.

Denk er wel aan dat overdaad schaadt. Je hoeft echt niet elk zelfstandig naamwoord aan te kleden. Bij voorbeeld: De vuurrode jongen blies op de zilveren trompet. Soms is eenvoud spannender. Bijv. De jongen blies op de trompet ... (Hierna volgt een spannend iets, waarbij wel weer wat bijvoeglijke naamwoorden passen) en het oorverdovende lawaai deed een groep slaperige eenden luid kwakend opvliegen. Het is een kwestie van accent leggen, een gevoel hebben voor ritme en muziek.

 

- Denk eens na over het verschil tussen een bijbelstu­die en een verhaal.

- Blijf alsjeblieft jezelf. Ga geen hoogdravende zinnen maken of godsdienstig doen. Niks staat zo tegen als teveel godsdienst!

- Stop niet te veel boodschappen in je verhaal.

Spreek niet over Gods liefde EN Zijn bescherming EN Zijn wijsheid.

Zoek eens drie pakkende eindes uit een bijbelverhaal.

Beperk clichéwoorden, die wij veel gebruiken, maar zelf soms ook niet helemaal vatten. Bijvoorbeeld: gerechtigheid, almacht, genade, barmhartigheid, een eerlijk en oprecht hart. Kun je er een omschrijving van geven zodat de kinde­ren het snappen? Of besteed eens een hele les aan één zo'n woord. Anders worden de kinderen vrome papegaaien. Kijk door de ogen van het kind met zijn korte levenservaring.

 

5. Het vastleggen van je verhaal.

Het verhaal moet herhaald worden. Dezelfde dag nog of de week erna. We willen zien of het begrepen is.

 

Dat kun je door:

- Vragen te stellen.

- Een kind voor de groep het verhaal te laten terugvertellen.

- De kinderen laten raden welk woord je in je hoofd hebt. Ze moeten het bij voorbeeld in tien keer raden anders heb jij gewonnen. Jij antwoordt alleen maar met ja of nee. Is het een dier/ding/mens? Enz.

- Met flanelfiguren of platen. Je kunt ook platen uit diverse verhalen nemen en dan een algemene herhaling houden. Wie het goed heeft mag de plaat even vasthou­den. Na het raden mogen twee kinderen, die geen plaat konden bemachtigen, voor de klas komen. Zij mogen net als bij kwartetten platen terugvragen, om de beurt. Wie krijgt de meeste platen?

‑ Door een lied.

‑ Door gedeeltes uit het verhaal uit te laten spelen.

‑ Door een aantal uitspraken in een doosje te doen. Wie zei dit?

‑ Of door stroken op volgorde te leggen met daarop in het kort het verhaal.

‑ Door klassikaal vragen te stellen. Als het goed is moeten ze hun handen omhoog doen. Als het fout is moeten ze hun vuisten op de bank leggen. Jij zegt dan een zin, die goed of fout kan zijn.

‑ Een tekenwedstrijd met twee groepen. Maak voor elke groep tien kaartjes met erop geschreven de naam van een ding of een persoon uit het verhaal. Eén van de groep komt het kaartje halen, leest het en gaat het zonder te spreken uittekenen. De anderen uit zijn groep moeten het raden. Wie het raadt mag de volgende opdracht halen. Wie van de twee groepen is het eerst klaar?

‑ Door een voeldoos. Ze moeten aan de hand van de dingen die  je in die doos hebt verstopt, iets uit het verhaal vertellen. Bijv een spijker, een zakdoek, een playmobielschaapje.

- Door een quiz of een puzzel.

- Door creatief schrijven.

  Geef ze een dubbele kaart met daarop geplakt een plaatje met een zonde, bijv. stelen, slaan. De kinderen moeten dan op de andere helft van het kaartje een briefje schrijven naar een kind, dat bijv, Jan heet.       

Beste Jan, ik zie dat je.... Dat kun je beter niet doen, want.... De kinderen kunnen hun brieven in een door jou geïmproviseerde brievenbus stoppen.

- Schrijf in spiegelschrift: Liefde, hemel, Jezus, Jeruzalem, bekering. Laat ze raden en zelf ook iets schrijven in spiegelschrift.

- Laat hen dingen zien die met bedriegen te maken hebben: plastic eend, plastic bloemen, goocheltruckjes. tv- films,  de bedriegertjes.

- Neem een groot stuk karton. Schrijf bovenaan: Jezus is:… Daaronder plak je 12 dubbelgevouwen blaadjes. (Twee vierkantjes naast elkaar, dubbelgevouwen). Aan de buitenkant  teken je: altaar van stenen, de steen voor het graf, een kussen van steen, een steen in de vorm van brood, een hoeksteen, een steen die van een berg rolt, een stenen hart, stenen borstschild van de hogepriester, twee stenen tafelen, een steen in slinger, hand die stenen gooit, twee levende stenen. Binnen in de opgeplakte vierkantjes schrijf je een letter en wel zo dat er een zin te voorschijn kan komen: "mijn steenrots."

Dan lees je willekeurig de volgende teksten voor. Hand. 7:57, Gen 12:8, Dan. 2:45, Jes. 28:16, Ex. 39:8, 1 Sam. 17:40, Ez. 11:19, Mark. 16:3, Gen 28:11, Matth. 4:3,  Ex. 31:18, 1 Pet. 2:5. Als een kind weet welk plaatje daarbij hoort, mag het klepje omhoog. Totdat de hele zin geraden is. Je kunt de klepjes in het begin dichtdoen met een stukje kleefband.

- Zie ook "Spelletjes"

 

6. Materiaal

Platenboek.

Een heel fijn middel om te vertellen is een platen­boek. Je hebt losse kaarten en ringbandboeken. Ze werken beide op dezelfde manier. Met platenboeken vertellen is gemak­kelijker dan met flanel. Je hebt geen bord nodig. Je hoeft niets klaar te leggen. Er kan niets vallen. Toch heb je de aandacht doordat de kinderen wat te zien hebben.

 

Voordelen: Voor zendingsverhalen erg geschikt i.v.m. de andere cultuur en levensomstandigheden. Met één oogopslag zien de kinderen waar je het over hebt. Ook voor bijbelverhalen. Je kunt nog eens wat details aanwijzen, waarvan de omschrijving lang zou duren. Bijv. kleine ramen, boekenkastjes, olielampen. Voor thematische verhalen: bijv. "Ik ben..." erg ge­schikt. Je kunt de toepassing wat uittekenen en verduidelij­ken. Bijv. De ark zetten naast het kruis. Als je dit zou vertellen, dan denken ze: "Waar gaat ze het nou weer over hebben? Dat slaat nergens op.

 

Nadelen: Je hebt je handen vol. Je moet soms met grote stappen door je verhaal. Het kan zijn dat er in het verhaal dingen verteld worden die niet op de tekening staan. Prima middel voor de evangelisatie.

 

Gebruik flanelles (Beetje verouderd?)

Vroeger erg geschikt. Vooral als je wat wilt leren aan de kinderen. Het vereist van de leiding extra inspanning. Op zestienjarige leeftijd heb ik flanellessen gezien, die ik nooit meer vergeten ben. Daardoor gingen sommige waarheden diep in je hart zitten. Ook nu nog heb ik bij ervaring dat de kinderen de lessen ordelijker kunnen terugvertellen dan zonder flanel.

 

Voordelen: Er valt wat te zien. De les komt er duidelijker uit. Vooral bij drukke klassen een prima middel om de aandacht vast te houden.

 

Nadelen: Je moet zoveel voorbereiden, klaarleggen, oefenen. Je moet een tafeltje voor je hebben om je platen uit te stallen. Je hebt je handen niet vrij. Je moet je aan het voorbedachte lesje houden.

 

Ja, en we leven niet meer in de vorige eeuw. We kunnen nu onze lessen verduidelijken met een overheadprojector of de beamer. Zelfs met een dvd-speler, waarbij we een fragment uit een verhaal kunnen tonen of een opgenomen interview. Wees actueel en bij de tijd.

 

Waar je op moet letten:

1. Leg je plaatjes op volgorde

2. Ga niet voor het bord staan, maar ernaast.

3.De grote figuren horen meer onderaan en de kleine­re

   bovenaan. (perspectief) Thuis oefenen.

5.Je kunt ook met de platen in je open bijbel ver­tellen.

   De personen komen zo als het ware uit de bijbel.

6. Wees niet zo bezig met de figuren dat je het verhaal vergeet. Wees niet zo bezig met het verhaal dat je je figuren vergeet te wisselen.

7. Je kunt gemakkelijk herhalen door de kinderen het  verhaal weer te laten opbouwen.

8. Berg je lessen weer ordelijk op en kijk of je niets hebt verloren. Kleine dingen kunnen gauw zoekraken.

9. Sommige handleidingen zijn vreselijk ingewikkeld. Neem afstand van dat lange gepraat. Als je de lijn erin snapt ga je op je eigen manier aan het werk. Het gaat er niet om of jij precies doet wat er aange­geven staat, maar of je begrijpelijk overkomt bij de kinde­ren.

 

7.  Enige uitspraken

Als u een verhaal vertelt, maak dan gebruik van uw gewijde verbeeldingskracht. Een Arabisch spreekwoord:

"Hij is de beste spreker, die van een oor een oog kan maken."

Het gebruik van het juiste woord, het nauwkeurige woord, is het verschil tussen een potlood met een scherpe punt en een krijtje. (Uit: Morgen zie ik je weer van Catherine Marshall)

 

8. Conclusie

Vertellen is een gave, maar één die men kan ontwikke­len. Als wij ervoor bidden dan zal God ons zeker niet afwij­zen. Het gaat immers om de verkondiging van Zijn Koninkrijk.

"If God gave us the best, He surely will give us the rest."

(Danny Moe.) Vaak is het veel transpiratie en slechts weinig inspiratie. Als we echt willen zal het steeds beter gaan.