Inhoud van de les:
1. Om een verhaal te vertellen.
2. Voorbereiding.
3. Uitvoering.
4. Een paar oefeningen.
5. Het vastleggen van je verhaal.
6. Materiaal.
7. Enige uitspraken.
8. Conclusie.
1. Om een verhaal te vertellen moet
je:
- kennis hebben van het kind, zijn noden, wat moet het weten voor zijn
leven? Wat moet er veranderen?
- Je moet ook weten wat God met een mens wil bereiken. Wat is Gods wil
nu?
- Kennis van het verhaal en zijn bedoeling in de context van het
geheel. De boodschap voor toen en nu.
- Kennis van de sociaal culturele omstandigheden van vroeger. Ik moet
weten hoe het land eruit zag en hoe men zich kleedde.
- Ik moet voorstellingsvermogen hebben.
- Persoonlijke ervaring. In je computertje (je hersens) zit een schat
aan ervaring als mens, als kind. Er zijn gebeurtenissen uit boeken en andermans
levens opgeslagen. We zijn zo rijk!
2. Voorbereiding
- Bid er voor. De Heilige Geest moet het verhaal in je vormen. Dat kost
tijd, broedtijd.
- Begin dus zo vroeg mogelijk en lees het steeds over in de bijbel.
- Gebruik de Korte Verklaring als je die hebt.
- Bedenk of schrijf op wie de hoofdpersonen zijn.
- Van wie uit ga je het vertellen? Dat kan ook een broertje zijn, of
een ezeltje. Waar speelt het zich af?
- Neem een atlas erbij. Ook een bijbels Beeldwoordenboek, of zoek op
internet.
- Bedenk van te voren wat je hoogtepunt
zal zijn. Daarna moet je snel eindigen.
Bij voorbeeld:
"Na een kort dankgebed roept Jezus luid: "LAZARUS. Kom naar
buiten!!" En zie.... Lazarus komt. Zijn gezicht en z'n hele lijf omwikkeld
met repen doek."
"Ja," zult u zeggen, "maar er komt toch nog veel erna?
De verwondering van allen, enz." Dat is ook zo maar die hoef je niet per
se aan het eind te vertellen Dat kan ook aan het begin. Op deze manier:
"Zeg, heb je het al gehoord," vragen de mensen in Jeruzalem
aan elkaar. "In Bethanië is een man..."
Het gaat over de ezelfokker Lazarus, die dood geweest is en door Jezus
weer werd opgewekt. Sindsdien is het gedaan met de rust in het kleine stadje.
Veel mensen gaan zelf poolshoogte nemen. Ze willen die Lazarus wel eens zien.
Zelfs de Farizeeën en Schriftgeleerden komen kijken. "We moeten hem
doden," fluisteren ze gemeen. "Straks gaat iedereen door hem in Jezus
geloven. Die man is een gevaar!" O, Lazarus merkt al die blikken wel, die
op hem gericht zijn, maar hij trekt er zich niks van aan. Soms, heel soms, als
er oprechte mensen zijn die hem eerlijk vragen stellen, dan vertelt hij het
hele verhaal. Dan stralen zijn bruine ogen. Dan komen ook zijn zussen erbij
staan... enz."
Bedenk welke haltes je wilt
gebruiken. Je vertelt van plaatje naar plaatje in je gedachten. Je kunt ook
best even van standpunt wisselen. Bijv. Eerst ben je bij de zussen, die huilen
om hun verdriet dat Lazarus gestorven is. Dan laat je dit even liggen en
vertelt wat er bij Jezus in het Overjordaanse gebeurt en je gaat met Hem mee
terug naar Bethanië.
- Hoe begin je?
Bedenk een actief brokje uit het verhaal, een schreeuw, een roep. Het
lokt de kinderen om te gaan luisteren. Bijvoorbeeld: "We slaan hem in
elkaar. We slaan hem gewoon in elkaar, die dief." roepen de zoons van
Laban boos.
‑ Je kunt ook met een vraag uit deze tijd beginnen.
"Gebeurt het jou ook wel
eens dat iemand je pakken wil?
Zo'n grote knul met al die
vriendjes van hem?"
‑ Of met een landschapsbeschrijving: "Over de karavaanweg
naar het noorden loopt een eenzame jongeman. Zijn mantel is stoffig en
gescheurd, zijn sandalen zijn tot op de draad versleten... "
‑ Met een gevoelsbeschrijving:
"Als Jakob niet zo
treurig was geweest, had hij vast die mooie bok wel gezien, op de rots, schuin
boven hem ...".
- Hoe eindig je?
Dit is ook belangrijk om te kunnen stoppen en niet door te zeuren.
Schrijf desnoods je laatste zin op.
- Onbegrijpelijke brokjes
moet je van te voren uitleggen, niet onder je verhaal. Je moet dus van te
voren weten waar een probleem kan komen. Bij voorbeeld: Wat is een Farizeeër,
of een tollenaar? Zelfs het woord herder kunnen ze nog verkeerd begrijpen. Het is wel eens
voorgekomen in een derde groep van openbare schoolkinderen dat ze halverwege
het verhaal van de goede herder riepen: "Maar een herder hep toch
pote?..."
En kinderen uit groep 7/8 wisten niet wat maagden zijn. Zijn het magen
misschien?
‑ Houd ook in de gaten dat wij in een andere cultuur leven. Er was eens een meisje die hoorde dat de raven Elisa
elke ochtend en avond brood brachten en dat daarop reageerde met: "Smerig
zeg, dat zou ik niet lusten!"
‑ Het is ook belangrijk van te voren de afspraak te maken, dat er
niemand naar de wc mag onder de vertelling.
‑ Maak met evt. andere groepen de afspraak zomin mogelijk te
storen onder de vertelling.
- Denk bij je voorbereiding ook aan de ruimte waarin je zit. Is er
genoeg ventilatie? Soms gaan de kinderen draaien als het benauwd wordt.
Kinderen gaan ook draaien als de stoelen te hoog voor ze zijn.
- Hoe lang vertel
je?
Voor kleintjes l0, grotere 20 minuten. Een aanvangend verteller is na
een paar minuten al klaar. Vertel vooral niet te lang. Afwisseling van zinvolle
interessante activiteiten is aan te bevelen. Houd de kinderen actief betrokken
bij het leerproces, zodat ze al hun vijf zintuigen gaan gebruiken.
- Wat is de geestelijke les uit dit verhaal?
We hebben nooit de opdracht
gekregen om bijbelse geschiedenis te vertellen, maar om het evangelie aan de
kinderen door te geven. Niet of ze alle verhalen wel kennen, maar of ze weten wat
God van hen vraagt is belangrijk. Ze moeten dat gaan oefenen, gaan doen. Wat
voor een les zit erin als de kinderen horen dat Ehud een mes in de dikke buik
van koning Eglon stak?
- Welk materiaal ga je
gebruiken? (Platenboek, platen, flanelles, schoolbord, flap-over,
overheadprojector, computer, objecten.)
- Lees het verhaal eens na in verschillende kinderbijbels. Maar pas
op! Soms staan er fouten in die je ongemerkt overneemt. Bij voorbeeld: de rook
van Abel ging omhoog en die van Kaïn sloeg neer. Was Jozef echt wel een
verwende jongen en een klikspaan of was het gewoon omdat de broers het kwade
liefhadden, dat ze hem niet konden verdragen? Verklikte Jozef hen soms door
niet mee te gaan of te doen?
3. Uitvoering
- Zie je er leuk uit? Denk ook aan je lichaamshouding. De kinderen
moeten steeds naar je kijken. Ze merken dat je roos op je schouder hebt of een
veeg op je gezicht.
- Steeds heen en weer lopen is storend.
- Als je onzeker bent voelen ze dat. Ze voelen of er wat van je
uitgaat. Onze houding wordt uitgedrukt in een serie non-verbale (met je
houding) seintjes. De toon waarop men iets zegt, gebaren, een glimlach, een
aanraking kunnen meer spreken dan woorden. Een kind is in zijn gevoelens vaak
volwassener dan de volwassenen. Laat gerust de liefde en vreugde van de Heer
uit je komen. Als jij het niet leuk vindt om te doen gaan de kinderen klieren.
- Gebruik van materiaal
Hoe houd je iets vast? Kan elk
kind het zien?
‑ Voor groteren helpt het wel eens als ze onder het vertellen mogen
tekenen. Ze mogen dan natuurlijk niets aan elkaar vragen, geen punt gaan
slijpen, alleen stil tekenen. Zij doen graag iets met hun handen.
- Houd oogcontact met de
groep. Aan hun ogen kun je zien of ze met je eens zijn. Als ze niet willen
kijken, betekent het, dat ze verlegen zijn met jouw boodschap. Ze willen niet
dat je in hun ziel kijkt. Dit is een soort instinct net als bij honden.
Misschien zeggen ze ja, maar ze willen het jou niet laten weten. Je moet het
niet erg vinden. Misschien breng je de boodschap wat erg agressief en laat je
ze geen ruimte om zelf te kiezen. Het mooiste is natuurlijk als ze aan je
lippen hangen, maar dit is niet altijd te bereiken. Ook als ze zogenaamd
zitten te draaien kunnen ze best gehoord hebben wat je zegt.
‑ Vooral geen opsomming, geen uittreksel van het verhaal geven.
Vertel in de tegenwoordige tijd, dat helpt je van je geschiedkundige opsomming
af.
Bijvoorbeeld:
Verl. tijd: David moest maken dat hij weg kwam. Michal had een koord en
gooide dat uit het raam. Hieraan klom David naar beneden en vluchtte. Nu in de
tegenwoordige tijd: (Spannender)
David moet vluchten, maar hoe?
"Hier is een koord," roept Michal zacht. Samen binden ze het
aan het bed vast.
"Vlug, gooi het uit het raam."
David laat zich voorzichtig naar buiten glijden en ja ... veilig
bereikt hij de grond."
Toch kan men ook in de verleden tijd spannend vertellen. Een voorbeeld
hiervan kun je vinden in de boekjes van Van der Hulst.
"Toettoet! Daar gingen ze. O, Santjes ogen schitterden van wilde
pret. Haar stevige vuistjes hielden de ijzeren beugel stijf vast. Toettoet! En ‑
zo aardig ‑ het zwarte poesje huppelde mee, voor de motor uit. (Uit Het
Zwarte Poesje.)
De verleden tijd kun je ter afwisseling gebruiken. Als iemand even
terugkijkt in zijn leven.
- Wanneer gebruik je een vraag in je verhaal?
Het is om even het zaakje
wakker te schudden. Maar pas op! Kinderen geven gauw antwoord en dan ben je
juist de aandacht kwijt. De ene vraag lokt dan de andere uit.
- Zet eens een vragenbusje neer. Beantwoord de vragen schriftelijk.
Zelf kun je ook veel aan die vragen hebben. Het maakt duidelijk waar je iets
niet goed hebt uitgelegd. Een meisje vroeg eens: "Waarom genas God Naäman,
terwijl hij toch een slechte man was?" Pas toen begreep ik die zeven
onderdompelingen.
- Afwisseling van stem (hard, zacht, koud, warm, melodieus)
- Gebruik van mimiek. Je gezicht spreekt boekdelen.
- Woordgebruik. Spreek netjes Nederlands. Populaire uitdrukkingen mogen
wel, mits ze netjes zijn. Ook je Nederlands moet goed zijn.
- Als een kind lastig is helpt het wel eens om speciaal voor hem/haar
te gaan vertellen. Je hoeft dan niet te waarschuwen, wat zo stoort. Je kunt bij
voorbeeld zeggen: En.... wat denk jij nou, Anneke, dat Petrus zei?
- Het is heel fijn als er iemand van de leiding voor je bidt terwijl
jij vertelt.
- Geen conclusie aan het eind van je verhaal. Dit is heel saai. Niemand
luistert meer. Je had je boodschap in je vertelling moeten verpakken.
4. Een paar
oefeningen
- Verzin eens bij onderstaande bijbelverhalen een voor kinderen
aantrekkelijk opschrift.
... Adam en Eva. Gen.3
... Abrahams roeping. Gen.12
... Jozef naar Egypte verkocht. Gen.37
... Doortocht door de Rode Zee. Ex. 13
Het is niet zo dat je die titel hoeft te vermelden voor je gaat
vertellen, maar het helpt je na te denken over wat je wilt gaan vertellen. Je
zou wel een geheimzinnige titel kunnen bedenken, die je aan het begin van het
zondagsschooluur meedeelt, zodat ze nieuwsgierig worden wat dat wel zal zijn. Bijvoorbeeld:
Hoe komt een sterke man aan z'n kracht?
Schrijf eens een beginregel op van deze verhalen in de directe reden
(d.w.z. wat iemand direct zegt b.v. "Kom hier, Natanaël")
Schrijf nu eens een zin op, waarin je de omgeving beschrijft, of de
omstandigheden, zodat de kinderen er gelijk inzitten.
Pak wat bijbelverhalen uit een tijdschrift, of uit een kinderbijbel en
ga voor jezelf eens na hoe men begint, hoe men de natuur beschrijft, geuren of
karakters.
Vul eens wat omschrijvingen in.
De ........ visser. De ...... vrouw.
De ...... boot. Het ..... huisje.
Denk er wel aan dat overdaad schaadt. Je hoeft echt niet elk
zelfstandig naamwoord aan te kleden. Bij voorbeeld: De vuurrode jongen blies op
de zilveren trompet. Soms is eenvoud spannender. Bijv. De jongen blies op de
trompet ... (Hierna volgt een spannend iets, waarbij wel weer wat bijvoeglijke
naamwoorden passen) en het oorverdovende lawaai deed een groep slaperige eenden
luid kwakend opvliegen. Het is een kwestie van accent leggen, een gevoel hebben
voor ritme en muziek.
- Denk eens na over het verschil tussen een bijbelstudie en een
verhaal.
- Blijf alsjeblieft jezelf. Ga geen hoogdravende zinnen maken of
godsdienstig doen. Niks staat zo tegen als teveel godsdienst!
- Stop niet te veel boodschappen in je verhaal.
Spreek niet over Gods liefde EN Zijn bescherming EN Zijn wijsheid.
Zoek eens drie pakkende eindes uit een bijbelverhaal.
Beperk clichéwoorden, die
wij veel gebruiken, maar zelf soms ook niet helemaal vatten. Bijvoorbeeld:
gerechtigheid, almacht, genade, barmhartigheid, een eerlijk en oprecht hart.
Kun je er een omschrijving van geven zodat de kinderen het snappen? Of besteed
eens een hele les aan één zo'n woord. Anders worden de kinderen vrome
papegaaien. Kijk door de ogen van het kind met zijn korte levenservaring.
5. Het vastleggen
van je verhaal.
Het verhaal moet herhaald worden. Dezelfde dag nog of de week erna. We
willen zien of het begrepen is.
Dat kun je door:
- Vragen te stellen.
- Een kind voor de groep het verhaal te laten terugvertellen.
- De kinderen laten raden welk woord je in je hoofd hebt. Ze moeten het
bij voorbeeld in tien keer raden anders heb jij gewonnen. Jij antwoordt alleen
maar met ja of nee. Is het een dier/ding/mens? Enz.
- Met flanelfiguren of platen. Je kunt ook platen uit diverse verhalen
nemen en dan een algemene herhaling houden. Wie het goed heeft mag de plaat
even vasthouden. Na het raden mogen twee kinderen, die geen plaat konden
bemachtigen, voor de klas komen. Zij mogen net als bij kwartetten platen
terugvragen, om de beurt. Wie krijgt de meeste platen?
‑ Door een lied.
‑ Door gedeeltes uit het verhaal uit te laten spelen.
‑ Door een aantal uitspraken in een doosje te doen. Wie zei dit?
‑ Of door stroken op volgorde te leggen met daarop in het kort
het verhaal.
‑ Door klassikaal vragen te stellen. Als het goed is moeten ze
hun handen omhoog doen. Als het fout is moeten ze hun vuisten op de bank
leggen. Jij zegt dan een zin, die goed of fout kan zijn.
‑ Een tekenwedstrijd met twee groepen. Maak voor elke groep tien
kaartjes met erop geschreven de naam van een ding of een persoon uit het
verhaal. Eén van de groep komt het kaartje halen, leest het en gaat het zonder
te spreken uittekenen. De anderen uit zijn groep moeten het raden. Wie het
raadt mag de volgende opdracht halen. Wie van de twee groepen is het eerst
klaar?
‑ Door een voeldoos. Ze moeten aan de hand van de dingen die je in die doos hebt verstopt, iets uit het
verhaal vertellen. Bijv een spijker, een zakdoek, een playmobielschaapje.
- Door een quiz of een puzzel.
- Door creatief schrijven.
Geef ze een dubbele kaart met
daarop geplakt een plaatje met een zonde, bijv. stelen, slaan. De kinderen
moeten dan op de andere helft van het kaartje een briefje schrijven naar een
kind, dat bijv, Jan heet.
Beste Jan, ik zie dat je.... Dat kun je beter niet doen, want.... De
kinderen kunnen hun brieven in een door jou geïmproviseerde brievenbus stoppen.
- Schrijf in spiegelschrift: Liefde, hemel, Jezus, Jeruzalem, bekering.
Laat ze raden en zelf ook iets schrijven in spiegelschrift.
- Laat hen dingen zien die met bedriegen te maken hebben: plastic eend,
plastic bloemen, goocheltruckjes. tv- films,
de bedriegertjes.
- Neem een groot stuk karton. Schrijf bovenaan: Jezus is:… Daaronder
plak je 12 dubbelgevouwen blaadjes. (Twee vierkantjes naast elkaar,
dubbelgevouwen). Aan de buitenkant
teken je: altaar van stenen, de steen voor het graf, een kussen van
steen, een steen in de vorm van brood, een hoeksteen, een steen die van een
berg rolt, een stenen hart, stenen borstschild van de hogepriester, twee stenen
tafelen, een steen in slinger, hand die stenen gooit, twee levende stenen.
Binnen in de opgeplakte vierkantjes schrijf je een letter en wel zo dat er een
zin te voorschijn kan komen: "mijn steenrots."
Dan lees je willekeurig de volgende teksten voor. Hand. 7:57, Gen 12:8,
Dan. 2:45, Jes. 28:16, Ex. 39:8, 1 Sam. 17:40, Ez. 11:19, Mark. 16:3, Gen
28:11, Matth. 4:3, Ex. 31:18, 1 Pet.
2:5. Als een kind weet welk plaatje daarbij hoort, mag het klepje omhoog.
Totdat de hele zin geraden is. Je kunt de klepjes in het begin dichtdoen met
een stukje kleefband.
- Zie ook "Spelletjes"
6. Materiaal
Platenboek.
Een heel fijn middel om te vertellen is een platenboek. Je hebt losse
kaarten en ringbandboeken. Ze werken beide op dezelfde manier. Met platenboeken
vertellen is gemakkelijker dan met flanel. Je hebt geen bord nodig. Je hoeft
niets klaar te leggen. Er kan niets vallen. Toch heb je de aandacht doordat de
kinderen wat te zien hebben.
Voordelen: Voor zendingsverhalen erg geschikt i.v.m. de andere cultuur
en levensomstandigheden. Met één oogopslag zien de kinderen waar je het over
hebt. Ook voor bijbelverhalen. Je kunt nog eens wat details aanwijzen, waarvan
de omschrijving lang zou duren. Bijv. kleine ramen, boekenkastjes, olielampen.
Voor thematische verhalen: bijv. "Ik ben..." erg geschikt. Je kunt
de toepassing wat uittekenen en verduidelijken. Bijv. De ark zetten naast het
kruis. Als je dit zou vertellen, dan denken ze: "Waar gaat ze het nou weer
over hebben? Dat slaat nergens op.
Nadelen: Je hebt je handen vol. Je moet soms met grote stappen door je
verhaal. Het kan zijn dat er in het verhaal dingen verteld worden die niet op
de tekening staan. Prima middel voor de evangelisatie.
Gebruik flanelles
(Beetje verouderd?)
Vroeger erg geschikt. Vooral als je wat wilt leren aan de kinderen. Het
vereist van de leiding extra inspanning. Op zestienjarige leeftijd heb ik
flanellessen gezien, die ik nooit meer vergeten ben. Daardoor gingen sommige
waarheden diep in je hart zitten. Ook nu nog heb ik bij ervaring dat de
kinderen de lessen ordelijker kunnen terugvertellen dan zonder flanel.
Voordelen: Er valt wat te zien. De les komt er duidelijker uit. Vooral
bij drukke klassen een prima middel om de aandacht vast te houden.
Nadelen: Je moet zoveel voorbereiden, klaarleggen, oefenen. Je moet een
tafeltje voor je hebben om je platen uit te stallen. Je hebt je handen niet
vrij. Je moet je aan het voorbedachte lesje houden.
Ja, en we leven niet meer in de vorige eeuw. We kunnen nu onze lessen
verduidelijken met een overheadprojector of de beamer. Zelfs met een
dvd-speler, waarbij we een fragment uit een verhaal kunnen tonen of een
opgenomen interview. Wees actueel en bij de tijd.
Waar je op moet letten:
1. Leg je plaatjes op volgorde
2. Ga niet voor het bord staan, maar ernaast.
3.De grote figuren horen meer onderaan en de kleinere
bovenaan. (perspectief) Thuis
oefenen.
5.Je kunt ook met de platen in je open bijbel vertellen.
De personen komen zo als het
ware uit de bijbel.
6. Wees niet zo bezig met de figuren dat je het verhaal vergeet. Wees
niet zo bezig met het verhaal dat je je figuren vergeet te wisselen.
7. Je kunt gemakkelijk herhalen door de kinderen het verhaal weer te laten opbouwen.
8. Berg je lessen weer ordelijk op en kijk of je niets hebt verloren.
Kleine dingen kunnen gauw zoekraken.
9. Sommige handleidingen zijn vreselijk ingewikkeld. Neem afstand van dat
lange gepraat. Als je de lijn erin snapt ga je op je eigen manier aan het werk.
Het gaat er niet om of jij precies doet wat er aangegeven staat, maar of je
begrijpelijk overkomt bij de kinderen.
7. Enige uitspraken
Als u een verhaal vertelt, maak dan gebruik van uw gewijde
verbeeldingskracht. Een Arabisch spreekwoord:
"Hij is de beste spreker, die van een oor een oog kan maken."
Het gebruik van het juiste woord, het nauwkeurige woord, is het
verschil tussen een potlood met een scherpe punt en een krijtje. (Uit: Morgen
zie ik je weer van Catherine Marshall)
8. Conclusie
Vertellen is een gave, maar één die men kan ontwikkelen. Als wij
ervoor bidden dan zal God ons zeker niet afwijzen. Het gaat immers om de
verkondiging van Zijn Koninkrijk.
"If God gave us the best,
He surely will give us the rest."
(Danny Moe.) Vaak is het veel transpiratie en slechts weinig inspiratie. Als we echt willen zal het steeds beter gaan.