Bijbelquiz nr. 3
- In Egypte
1. Hoe heette de oudste zoon van Jakob ?
|
Issakar |
Ruben |
Zebulon |
2. De zonen van Rachel heten:
|
Ruben en Simeon |
Levi en Juda |
Jozef en Benjamin |
3. Jozef droomt over ...........
|
buigende korenschoven |
vleesetende koeien |
de bakker en de schenker |
4. Hoeveel broers heeft Jozef ?
|
tien |
elf |
twaalf |
5. Kooplieden brengen Jozef naar ........
|
Kanaän |
Griekenland |
Egypte |
6. Jozef wordt verkocht aan .......
|
Potifar |
Farao |
Jetro |
7. De Here zegent Jozef. Alles wat hij onderneemt ........
|
mislukt |
gelukt |
valt tegen |
8. Jozef komt in de gevangenis. Waarom ?
|
Hij heeft gestolen |
Hij is vals beschuldigd. |
Hij heeft iemand vermoord. |
9. In de gevangenis legt Jozef de dromen uit van ......
|
de Farao |
de directeur |
de bakker en de schenker |
10. De Farao heeft gedroomd over .......
|
koeien en korenhalmen. |
zon,maan en sterren. |
piramiden. |
11. Er komen jaren van ............
|
ziekte-gezondheid |
oorlog-vrede |
overvloed-hongersnood |
12. Jozef wordt ........
|
directeur van een graanbedrijf. |
onderkoning van Egypte. |
gevangenis-directeur. |
13. Jozef trouwt met Asnat. Hun twee zonen heten ......
|
Jakob en Esau |
Mozes en Aäron |
Efraïm en Manasse |
14. De broers van Jozef reizen naar Egypte. Waarom ?
|
Ze gaan er heen met vakantie. |
Ze gaan er koren kopen. |
Ze willen Jozef terugkopen. |
15. Er komen grote moeilijkheden door ......
|
een zilveren beker. |
niet betaalde rekeningen. |
taalproblemen. |
16. De hele familie van Jakob gaat wonen in ......
|
Raämses |
Pitom |
Gosen |
17. De Israëlieten worden Hebreeën genoemd. Die naam
betekent ......
|
zij die komen van de overzijde. |
zij die komen uit een ver land. |
zij die komen uit het buitenland. |
18. De Hebreeën worden slaven. Ze moeten voorraadsteden
bouwen.
|
Pitom en Raämses |
Raämses en Sukkot |
Pitom en Gosen |
19. Mozes,een Hebreeuwse prins wil de Israëlieten helpen.
|
Dat bevalt hem goed. |
Hij moet vluchten. |
Hij wordt gekozen als leider. |
20. In de woestijn heeft hij een ontmoeting met God .......
|
bij de berg Horeb. |
bij de berg Sinaï. |
bij de Schelfzee. |
21. Mozes keert terug naar Egypte. Hij wordt de leider van
het volk Israël.
|
Het volk koos hem uit. |
De Farao wees hem aan. |
God stelde hem aan. |
22. Mozes en Aäron gaan naar de Farao en zeggen:
............
|
Wilt u toestemming geven om te mogen vertrekken ? |
Laat Israël vertrekken. |
Laten we onderhandelen. |
23. De Farao weigert. Er komen dan ........
|
10 rampen. |
12 rampen. |
14 rampen. |
24. Wanneer mogen de Israëlieten vertrekken ?
|
na 3 dagen lang geen zonlicht. |
na de sprinkhanenplaag. |
als de eerstgeborenen dood zijn. |
25. De Israëlieten gaan droogvoets door de Schelfzee.
|
Het Egyptische leger keert terug. |
Het Egyptische leger kijkt toe. |
Het Egyptische leger verdrinkt. |
Invullen van Bijbelquiz nr. 3 - In Egypte
|
1 - |
6 - |
11 - |
16 - |
21 - |
|
2 - |
7 - |
12 - |
17 - |
22 - |
|
3 - |
8 - |
13 - |
18 - |
23 - |
|
4 - |
9 - |
14 - |
19 - |
24 - |
|
5 - |
10 - |
15 - |
20 - |
25 - |
Oplossing van Bijbelquiz nr. 3 - In Egype
|
1 – 2 |
6 – 1 |
11 – 3 |
16 – 3 |
21 – 3 |
|
2 – 3 |
7 – 2 |
12 – 2 |
17 – 1 |
22 – 2 |
|
3 – 1 |
8 – 2 |
13 – 3 |
18 – 1 |
23 – 1 |
|
4 – 2 |
9 – 3 |
14 – 2 |
19 – 2 |
24 – 3 |
|
5 – 3 |
10 – 1 |
15 – 1 |
20 – 2 |
25 – 3 |